Overslaan en naar de inhoud gaan
Blog

Spagaat

Gert-Jan van Leeuwen voelt zich in een spagaat omtrent de stellingname van de VBWTN over het wetsvoorstel kwaliteitsborging (Wkb) en zijn rol als kwartiermaker voor de Wkb.

Op de website BWT-info, in Bouwkwaliteit in de praktijk en vervolgens ook op Omgevingsweb verscheen recent een artikel van Petra van Oosterbosch, secretaris van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland. Zij was in 2007/2008 ook lid van de Commissie Dekker die in opdracht van het Kabinet Balkenende-Bos een ‘fundamentele verkenning’ uitvoerde naar hoe de bouwsector in ons land beter geregeld zou kunnen worden. Met het eindrapport van deze commissie ‘Privaat wat kan, publiek wat moet’ als vertrekpunt geeft zij een kritisch commentaar op het stelsel, dat volgens het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) de komende jaren de bakens in de bouw zou moeten verzetten.

Het commentaar sluit af met een tegenvoorstel, dat aanspreekt door z’n eenvoud. “Laat de bouwer zelf aantonen dat hij een plan heeft dat voldoet aan het bouwbesluit en laat hem vervolgens aantonen dat de realisatie overeenkomt met dit plan. Met een vereenvoudiging van het huidige wetsvoorstel kan de verplichte schakel van gecertificeerde kwaliteitsborger wegvallen. De verantwoordelijkheid komt daarmee eenduidig bij de bouwer te liggen en daar moet hij ook voor tekenen. Hij geeft aan waar de risico’s liggen en hoe hij ze oplost en hij toont aan dat het bouwwerk voldoet aan de gestelde eisen. De overheid bewaakt de kwaliteit en risico’s via systeemtoezicht en steekproefcontroles.

Hoe sympathiek deze eenvoud ook oogt, toch valt hier het nodige op af te dingen. Vanuit mijn eigen achtergrond en betrokkenheid bij het onderwerp voel ik mij de laatste tijd meer en meer in een spagaat tussen de stellingname vanuit de VBWTN en mijn positie als kwartiermaker voor de Wkb. Ten opzichte van het huidige wetsvoorstel als zodanig sta ik positief, maar ik ben kritisch, om niet te zeggen sceptisch over de wijze waarop het zal gaan uitpakken als er op cruciale punten in de uitwerking niet stevig wordt bijgestuurd ten opzichte van de huidige koers van BZK. Een toelatingsorganisatie zonder handjes en tandjes, zoals er nu dreigt te komen, doet meer kwaad dan goed. Zeker in het begin als de bouw het gevraagde vertrouwen nog waar moet maken. Als de bouw daarin slaagt kan het stelsel worden afgeslankt en kunnen de kosten omlaag.

Meerdere wegen naar Rome

Ongeveer vanaf 2000 was ik betrokken bij de VBWTN en haar voorloper, het Platform BWT Grote Gemeenten. Kort na de oprichting werd ik bestuurslid en ruim een jaar later de eerste directeur van de vereniging. Die functie mocht ik per 1-1-2011 overdragen aan Wico Ankersmit, waarna ik nog tot medio 2014 advies- en projectwerk uitvoerde.
Een van mijn laatste grote klussen was het penvoerder zijn – samen met de onlangs veel te vroeg overleden Frans Fijen – van ‘Privaat wat moet, publiek wat onvermijdelijk is’, het visiedocument van de vereniging over private kwaliteitsborging. Dit document werd om twee redenen opgesteld. Ten eerste wilde het bestuur van de VBWTN zelf graag op tijd een koers bepalen in de context van BWT 4.0, het toekomstbeeld van het vakgebied dat enerzijds werd geconfronteerd met ‘de’ kwaliteitscriteria en het perspectief van de Omgevingswet en anderzijds met het verdwijnen van taken naar de private sector. De tweede reden was het verzoek van BZK om aan te geven aan welke randvoorwaarden vanuit het bevoegd gezag de private kwaliteitsborging zou moeten voldoen.
Frans en ik werkten met een werkgroep en lichtten met instemming van het bestuur het visiedocument toe tijdens de regiodagen van de VBWTN in 2013. Tijdens de ALV in juni van dat jaar kreeg het document de steun van de leden. Niet als een ‘in beton gegoten’ plan, maar als dynamische bijdrage aan de discussie. In diezelfde periode verscheen onder regie van de publiek-private Actieagenda Bouw de ‘Routekaart naar private kwaliteitsborging’ waaraan ook Wico Ankersmit deelnam vanuit de vereniging.
Zowel het visiedocument als de ‘Routekaart’ sluiten aan bij de contourschets van het nieuwe stelsel, die de basis vormt voor het wetsvoorstel. Vanaf het regeerakkoord van ‘Rutte 1’ (2010) is dit de manier waarop het kabinet de aanbevelingen van de commissie Dekker oppakt. Letterlijk zegt dat akkoord: “Het kabinet voert de adviezen van de commissie Fundamentele Verkenning Bouw (commissie-Dekker) uit.” Sindsdien wordt er echt aan gewerkt.
Het voorgaande laat zien dat er vanuit hetzelfde startpunt – ‘Dekker’ – verschillende wegen zijn bewandeld door de regering, door de publiek-private ‘Routekaart’, maar ook door de VBWTN. Deze wegen mondden uit in modellen, die grote overeenkomsten vertonen, zowel onderling als met het reisdoel, de bestemming ‘Rome’, ofwel het huidige wetsvoorstel.

Wij van WC-eend

Uit de column van Petra van Oosterbosch blijkt dat zij in het huidige voorstel niet herkent waar het de Commissie Dekker om te doen was. Ik kan dat in zoverre volgen dat het gelaagde stelsel dat zich volgens de Wkb moet gaan ontvouwen niet rechtstreeks volgt uit ‘Privaat wat kan…’. Eigenlijk zegt dat advies in concreto alleen dat de preventieve toets aan het Bouwbesluit moet worden afgeschaft. Mede onder invloed van de VBWTN is daar later aan toegevoegd dat ook het gemeentelijk toezicht op het bouwen conform Bouwbesluit moet worden geschrapt en verdween het idee van een ‘duaal stelsel’, waarin de aanvrager zou kunnen kiezen tussen het private of het publieke spoor, naar de prullenbak.
De eerste geciteerde zin uit Petra’s voorstel bevat tweemaal het woord ‘aantonen’: eerst van het bouwplan en vervolgens van de realisatie conform dit plan. Aantonen dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan. Aantonen aan wie? Het aantonen dat het bouwplan voldoet is volgens mij de preventieve toets. Als die niet door het bevoegd gezag wordt gedaan, door wie dan wel? Volgens Petra’s voorstel kan de private kwaliteitsborger uit de wet worden geschrapt. Toegegeven, ook die figuur komt niet voor in ‘Privaat wat kan…’ maar is wel de kern van het stelsel volgens de Wkb. Als je deze schrapt, aan wie moet de bouwer dan de prestaties van bouwplan en bouwwerk aantonen? Aan de opdrachtgever die er meestal geen verstand van heeft? Aan zichzelf?
Vanuit het BWT-veld is menigmaal geageerd tegen de slager die z’n eigen vlees keurt, maar nu pleit de VBWTN voor een stelsel waarin de bouwer zonder de (verplichte) inschakeling van een kwaliteitsborger of andere pottenkijker zelf garant moet staan voor voldoen aan de kwaliteitseisen. Deze zwaai is alleen te begrijpen als de aannemer ook voldoende prikkels krijgt om deze rol waar te maken. De VBWTN ziet zo’n prikkel in de combinatie van de door de Wkb aangescherpte aansprakelijkheid en een door de aannemer zelf ondertekende verklaring bij gereedmelding, dat het bouwplan, de uitvoeringswijze en de daarop toegepaste kwaliteitsbewaking ‘het gerechtvaardigd vertrouwen bieden’ dat het gebruiksgerede bouwwerk voldoet aan het Bouwbesluit etc.
Dat laatste vind ik wel een consistent en robuust idee, maar het ‘aantonen’ in zo’n constellatie roept een beeld op dat aan ‘Wij van WC-eend’ doet denken. Dat Petra dat niet bedoelt, blijkt uit de laatste zinnen van het citaat, waarin opnieuw sprake is van ‘aantonen’. Aan het eind krijgt het bevoegd gezag de rol toebedeeld om de kwaliteit en de risico’s te bewaken “via systeemtoezicht en steekproefcontroles”. Ik kan deze componenten alleen met elkaar rijmen als ook het ‘aantonen’ steekproefsgewijs gebeurt. Anders blijft het aapje immers op de onterechte schouder van de gemeente zitten.
Wat het systeemtoezicht betreft is het meer dan denkbaar, dat dit in elk van de 390 gemeenten weer op eigen wijze gaat gebeuren in een bandbreedte van ‘niets’ tot ‘een wedstrijdje ver pissen’. Bovendien impliceert het tegenvoorstel waarin niet alleen de kwaliteitsborger maar ook de door deze toe te passen instrumenten verdwijnen, dat elk bouwbedrijf zijn eigen systeem van kwaliteitsbewaking zal hanteren. De bouwsector telt ruim 140.000 bedrijven waarvan toch zeker de helft zal ambiëren om ook bouwwerken in de gevolgklassen 1, 2 en 3 te mogen realiseren, waarop gefaseerd de Wkb van toepassing zal zijn. Enig idee hoe complex de taak ‘systeemtoezicht’ daarmee wordt…?!

Eenvoud als kenmerk van het ware?

Het idee dat Petra schetst, blinkt op het oog uit door eenvoud, maar is niet een ‘vereenvoudiging van het huidige wetsvoorstel’. In dat opzicht is het ‘terug bij af’. Dat geldt niet alleen voor het werk dat door BZK (en iBK – het Instituut voor Bouwkwaliteit – ofwel de kwartiermakers) is verricht, maar ook voor dat van de VBWTN zelf (visiedocument) en de gezamenlijke partijen (routekaart). Niet dat het allemaal de prullenbak in kan, maar heel veel werk moet opnieuw gedaan worden. Ik noem de hele wet- en regelgeving, advisering en besluitvorming daarover, analyse van maatschappelijke kosten en baten, becijfering van de administratieve lasten en toedeling daarvan aan de juiste kostendragers. Als de politiek vindt dat dat moet dan moet het ook, maar dat zie ik eerlijk gezegd niet gebeuren.
Streven naar eenvoud is sympathiek. Maar ik hoef Elsschot maar te citeren – “… want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren …” of te wijzen op het motto van de Omgevingswet ‘Eenvoudig beter’ – om aan te geven dat de weg om dit doel te bereiken lang is en veel hobbels kent. En die constatering is een eufemisme… Niettemin ben ik van mening dat het interessant kan zijn de details van Petra’s idee en de consequenties voor het huidige wetsvoorstel op hun merites te bespreken. Dat kan eerst in kleine kring of meteen in bredere context.
Persoonlijk vind ik het jammer – en ook dan druk ik mij zacht uit – dat de VBWTN niet veel eerder op de proppen is gekomen met deze fundamenteel andere benadering van de verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden in de bouw. De contouren van de Wkb werden al eind 2011 geschetst in een Kamerbrief van toenmalig BZK-minister Donner. Om daar pas vijf jaar later, net voordat de Kamer over het voorstel gaat besluiten, het VBWTN-idee tegenover te plaatsen is vreemd, verwarrend en waarschijnlijk contraproductief.
Helaas ontbreekt de uitwerking van het idee in termen van inhoud van het systeemtoezicht, steekproeffrequentie, gevolgen voor wel/niet in gebruik nemen, kwalitatieve en kwantitatieve capaciteit, financiering, etc. En ook de positionering van deze activiteiten: bij het bevoegd gezag zelf, via regionale samenwerking of zelfs onafhankelijk? Toegegeven, zo’n uitwerking vergt nogal wat, maar juist door nu pas deze stelling te betrekken als speler in het veld roep je dit soort wedervragen op bij andere partijen. Ik ben heel benieuwd naar de antwoorden. Nog zinvoller lijkt het mij de Kamerleden tijdig in te seinen op welke punten de Wkb en vooral de verdere uitwerking ervan verbetering behoeft om tot het nieuwe stelsel echt werkbaar te maken ten dienste van de bouwkwaliteit.

Gert-Jan van Leeuwen,
kwartiermaker Wkb

 

Dossiers: