Er is in de jurisprudentie een lijn ontwikkeld dat zienswijzen 'op nader aan te voeren gronden' moeten kunnen worden aangevuld. Een indiener ervan moet onverwijld in de gelegenheid worden gesteld om de zienswijze aan te vullen. Een termijn van twee weken werd daarbij redelijk geacht.
Uit de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 24 augustus
jl.
(ABRvS
24 augustus 2011, zaaknr. 201004175/1/R1) volgt dat een aanvullende
zienswijze met een aanvullende motivering op de binnen de termijn ingediende
zienswijze die een maand na afloop van de zienswijzetermijn werd ingediend, ten
onrechte buiten beschouwing was gelaten. De Afdeling bestuursrechtspraak geeft
aan: "Er is geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat een zienswijze na
afloop van de termijn nader wordt gemotiveerd. Een uitzondering hierop kan
worden gemaakt voor de situatie dat het bestuursorgaan de aanvulling, gelet op
de datum van indiening, in redelijkheid niet meer behoeft mee te nemen in de
besluitvorming." In casus was van die uitzondering geen sprake omdat twee weken
na het indienen van de aanvulling nog op de oorspronkelijke zienswijze (die
kwijt geraakt was!) was gereageerd. Het vaststellingsbesluit was hiermee in
strijd met artikel 3:2 Awb en moest worden vernietigd. Wel werden in dit geval
de rechtsgevolgen in stand gelaten.