Bestemmingsplan als heilig huisje
Door Martijn van Geilswijk en Olivia den Hollander van Lawton Advocaten
Dat is de vraag die veel gemeenten en initiatiefnemers van bouwprojecten zich vaker zouden moeten stellen dan dat nu het geval is. Regelmatig staat van tevoren al vast dat de planologische inpassing plaatsvindt door middel van een bestemmingsplanherziening. Dat leidt nogal eens tot onnodige vertragingen en bovendien tot allerlei lastige afstemmingsproblemen tussen het vaststellen van het bestemmingsplan en het verlenen van de omgevingsvergunning.
Onder de oude WRO werden veel bouwprojecten gerealiseerd met een zogenaamde artikel 19-vrijstelling. Dat gaf flexibiliteit. Deze projecten werden vervolgens in het bestemmingsplan opgenomen bij de eerstvolgende actualisering daarvan. Gemeenten en initiatiefnemers konden dus verder. Zij hoefden niet te wachten met een bouwproject tot de eerstvolgende actualisering van het bestemmingsplan. Dat betekende vaak ook dat de initiatiefnemer van een project deels zelf de regie kon voeren. Het voormalige projectbesluit onder de huidige Wro heeft laten zien wat er gebeurt als die flexibiliteit er niet is. De mogelijkheid om af te wijken van het geldende bestemmingsplan verplichtte gemeenten om het project binnen een jaar alsnog in een bestemmingsplan om te zetten. Gemeenten waren hier niet enthousiast over en voerden in veel gevallen het beleid dat geen projectbesluiten werden genomen. Hierdoor is de actualisering van bestemmingsplannen weer leidend geworden.
Onder de Wabo is er weer een serieuze mogelijkheid om flexibel af te kunnen wijken van het bestemmingsplan, zonder dat het bestemmingsplan op korte termijn moet worden herzien. De aanvrager kan zelf de regie voeren, al zijn gemeenten en initiatiefnemers zich daarvan vaak niet bewust. Het komt veel voor dat van het bestemmingsplan afwijkende initiatieven worden omgezet in een bestemmingsplanherziening en dat aanvragen voor een omgevingsvergunning worden aangehouden totdat het bestemmingsplan is vastgesteld en in werking is getreden. Dat is in strijd met de Wabo. Als een aanvraag niet past binnen het bestemmingsplan dan moet het College van burgemeester en wethouders ook beslissen over de afwijking van het bestemmingsplan. Het College moet de aanvrager dan in de gelegenheid stellen om een ruimtelijke onderbouwing in te dienen. Op basis van deze ruimtelijke onderbouwing moet het College van burgemeester en wethouders een besluit nemen over de wenselijkheid om van het geldende bestemmingsplan af te wijken. Er kan dus niet worden gewacht totdat de lopende bestemmingsplanprocedure is afgerond. Als de aanvrager er dan voor kiest om geen ruimtelijke onderbouwing aan te leveren, moet het College van burgemeester en wethouders de aanvraag weigeren, omdat het bouwplan dan in strijd is met het bestemmingsplan. Uiteraard kan de aanvrager ervoor kiezen dit wel te doen, zodat in plaats van een bestemmingsplanherziening, een omgevingsvergunning wordt verleend inclusief toestemming om af te wijken van het bestemmingsplan.
De keuze voor een omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan ligt al snel voor de hand. De aantrekkelijkheid daarvan is dat slechts één procedure gevolgd hoeft te worden. Dat is bij de herziening van het bestemmingsplan twee zijn omdat je naast het bestemmingsplan ook een omgevingsvergunning nodig hebt voor de overige (bouw)activiteiten. Met een omgevingsvergunning kun je dus sneller aan de slag en heb je ook maar één procedure voor de rechter uit te vechten.
Voor zowel gemeenten als initiatiefnemers is het goed om te realiseren dat er meer wegen zijn die tot planologische inpassing van een project kunnen leiden. Het is verstandig die wegen te verkennen en daarover afspraken te maken. Partijen kunnen bespreken wat de meest wenselijke manier is om voor een planologische inpassing van het project te zorgen. Op die manier kan worden voorkomen dat de initiatiefnemer in een vrij laat stadium druk gaat zetten door het indienen van de ruimtelijke onderbouwing om zo het College te dwingen een besluit te nemen over de inpassing van een bouwproject voordat het bestemmingsplan is herzien. Voor zowel de gemeente als de initiatiefnemer is dat een stuk comfortabeler.
Martijn van Geilswijk en Olivia den Hollander zijn advocaat bij Lawton in Rotterdam.








