Het schenden van wettelijke verplichtingen: tot waar gaan we?
Door Martijn van Geilswijk en Olivia den Hollander van Lawton Advocaten
Over het algemeen lijkt de kans op een vernietiging van een besluit kleiner geworden vanwege een pragmatischer benadering door wetgever en rechter. Specifiek ten aanzien van de wettelijke mogelijkheid om gebreken te passeren, lijkt de rechter hier ruimer gebruik van te maken. Vooral bij toepassing van de Crisis- en herstelwet. Maar waar ligt de grens tussen gebreken die wel en niet toelaatbaar zijn?
Gebreken?
In de Algemene wet bestuursrecht is de mogelijkheid opgenomen om formele gebreken te passeren. Het gaat dan om zogenaamde vormvoorschriften. Of sprake is van zo’n vormvoorschrift is in de praktijk niet altijd duidelijk, maar het gaat in principe om een voorschrift dat betrekking heeft op de procedure van totstandkoming of op de wijze waarop een besluit wordt genomen of geformuleerd. Alleen onder strikte voorwaarden kan gebruik worden gemaakt van deze in artikel 6:22 Awb neergelegde mogelijkheid.
Voor besluiten die onder de Crisis- en herstelwet vallen is deze mogelijkheid veel ruimer. Een gebrek kan worden gepasseerd volgens artikel 1.5 Chw wanneer dat er niet toe leidt dat derden in hun belangen worden geschaad. De aard van de fout is dan niet zozeer van belang. Waar het om gaat is de vraag wie door deze fout worden benadeeld. Ondanks het feit dat deze vraag niet altijd eenvoudig te beantwoorden is, lijkt de rechter hier toch soepel mee om te gaan.
Benadeeld?
Kort geleden oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak dat een bestemmingsplan in stand kon blijven ondanks het feit dat bij de totstandkoming ervan een bepaling uit het Besluit ruimtelijke ordening was geschonden. In de toelichting had de gemeente geen inzicht geboden in de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Dit leidde echter niet tot negatieve gevolgen voor de gemeente omdat er een partij was die tegen dit aspect een zienswijze had ingediend. Hierdoor kon in de Reactienota zienswijzen alsnog op de financiële uitvoerbaarheid worden ingegaan. De Afdeling bestuursrechtspraak vond het niet aannemelijk dat belanghebbenden door deze schending zouden zijn benadeeld. Daarbij werd overwogen dat het voor iedere belanghebbende mogelijk was om dit gebrek in een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan aan de orde te stellen.
Een ander voorbeeld betreft een geval waarover de rechtbank Zutphen heeft geoordeeld. Bij het verlenen van een binnenplanse ontheffing had het College in afwijking van de planvoorschriften geen gelegenheid geboden voor het indienen van zienswijzen. Achteraf werd deze gelegenheid alsnog geboden. Dit leidde echter niet tot zienswijzen. De rechter vond het aannemelijk dat geen belanghebbenden waren benadeeld, omdat het College alsnog de mogelijkheid had geboden om zienswijzen in te dienen.
Definitieve verruiming onder Wet aanpassing bestuursprocesrecht
Op dit moment ligt het wetsvoorstel ‘Wet aanpassing bestuursprocesrecht’ bij de Tweede Kamer. Deze wet voorziet in een wijziging van artikel 6:22 Awb, in die zin dat het huidige artikel 1.5 Crisis- en herstelwet daar feitelijk voor in de plaats komt. De kans op vernietiging van gebrekkige besluiten wordt in de toekomst dus steeds kleiner. Door opname van deze bepaling in de Awb is deze in principe van toepassing op alle besluiten en dus niet alleen op besluiten die onder de Crisis- en herstelwet vallen. Het blijft echter lastig om te bepalen of in een concreet geval nadeel wordt ondervonden van het schenden van een voorschrift. Zou je bijvoorbeeld kunnen zeggen dat een belanghebbende niet wordt geschaad als de motivering van een besluit pas bij de rechter wordt aangeleverd? Wij denken niet dat de wetgever dat heeft bedoeld. Hoe dan ook, het zou de rechtszekerheid goed doen als de wetgever de grens nader zou bepalen. Het wetsvoorstel voorziet hier echter (nog) niet in. Waarschijnlijk wordt het toepassingsbereik van deze bepaling overgelaten aan de praktijk, zodat we zullen moeten afwachten waar de grens precies ligt.
'Bestemmingsplan als heilig huisje'








