THEMA'S
SERVICE & ADVIES

Inhoudsopgave

Wet milieubeheer

Geldend van 01-07-2019 t/m heden.

Wet van 13 juni 1979, houdende regelen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne

Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, naast de wettelijke regelingen, geldende voor de onderscheidene onderdelen van het gebied van de milieuhygiëne, regelen te stellen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op dat gebied;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1 Algemeen

§ 1.1 Algemeen

Artikel 1.1
  • 1

    In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    adviseurs: bestuursorganen die krachtens wettelijk voorschrift in de gelegenheid moeten worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit;

    afvalbeheerplan: afvalbeheerplan, bedoeld in artikel 10.3;

    afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

    afvalstoffenhandelaar: natuurlijke of rechtspersoon die als verantwoordelijke optreedt bij het bedrijfsmatig aankopen en vervolgens verkopen van afvalstoffen, met inbegrip van natuurlijke of rechtspersonen die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben;

    afvalstoffenhouder: afvalstoffenproducent dan wel de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in zijn bezit heeft;

    afvalstoffenmakelaar: natuurlijke of rechtspersoon die ten behoeve van anderen bedrijfsmatig de verwijdering of de nuttige toepassing van afvalstoffen organiseert, met inbegrip van de natuurlijke of rechtspersonen die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben;

    afvalstoffenproducent: natuurlijke of rechtspersoon wiens activiteiten afvalstoffen voortbrengen of die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen verricht die leiden tot een wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen;

    afvalstoffenverordening: de verordening, bedoeld in artikel 10.23;

    afvalvoorziening: inrichting waar uitsluitend winningsafvalstoffen worden gestort of verzameld, dan wel het gedeelte van een inrichting waar winningsafvalstoffen worden gestort of verzameld;

    afvalvoorziening categorie A: afvalvoorziening, welke door het bevoegd gezag is ingedeeld in categorie A, overeenkomstig de criteria gesteld in bijlage III bij de richtlijn beheer winningsafval;

    afvalwater: alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

    bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen;

    bedrijfsafvalwater: afvalwater dat vrijkomt bij door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, dat geen huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of grondwater is;

    beheer van afvalstoffen: inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van de activiteiten van afvalstoffenhandelaars en afvalstoffenmakelaars;

    betrokken bestuursorganen: adviseurs en andere bestuursorganen die krachtens wettelijk voorschrift worden betrokken bij de totstandkoming van de in artikel 13.1, eerste lid, bedoelde beschikkingen.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit;

    bijlage: bij deze wet behorende bijlage;

    biochemisch zuurstofverbruik: massaconcentratie aan opgeloste zuurstof die gedurende vijf dagen wordt verbruikt door biochemische oxydatie van organische bestanddelen onder uitsluiting van ammoniumoxydatie onder omstandigheden die zijn gespecificeerd in een door Onze Minister aangewezen norm van het Nederlands Normalisatie Instituut;

    broeikasgas: gas, genoemd in bijlage II bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten;

    broeikasgasemissierecht: overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 16 overdraagbaar recht, uitsluitend teneinde aan het bepaalde bij en krachtens dat hoofdstuk te voldoen, om gedurende een bepaalde periode een emissie van één ton kooldioxide-equivalent in de lucht te veroorzaken;

    Commissie genetische modificatie: de Commissie genetische modificatie, bedoeld in artikel 2.26;

    Commissie voor de milieueffectrapportage: de Commissie voor de milieueffectrapportage, bedoeld in artikel 2.17;

    doelmatig beheer van afvalstoffen: zodanig beheer van afvalstoffen dat daarbij rekening wordt gehouden met het geldende afvalbeheerplan, dan wel de voor de vaststelling van het plan geldende bepalingen, dan wel de voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5;

    één ton kooldioxide-equivalent: een metrische ton kooldioxide of een hoeveelheid van een ander broeikasgas met een gelijkwaardig aardopwarmingsvermogen;

    de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten: richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275);

    EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels: verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU L 353);

    EG-verordening overbrenging van afvalstoffen: verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU L 190);

    EG-verordening PRTR: verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 33);

    EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen: verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PbEU 2007, L 136);

    emissie: stoffen, trillingen, warmte, die of geluid dat direct of indirect vanuit een bron in de lucht, het water of de bodem worden, onderscheidenlijk wordt gebracht;

    de emissieautoriteit: de Nederlandse emissieautoriteit, genoemd in artikel 2.1;

    emissiegrenswaarde: massa gerelateerd aan bepaalde parameters, dan wel concentratie of niveau van een emissie uit een of meer bronnen, die gedurende een bepaalde periode niet mag worden overschreden;

    emissiereductie-eenheid: eenheid, uitgegeven overeenkomstig artikel 6 van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of het Protocol van Kyoto genomen besluiten (ERU);

    gecertificeerde emissiereductie: eenheid, uitgegeven overeenkomstig artikel 12 van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of het Protocol van Kyoto genomen besluiten (CER);

    geluid: met het menselijk oor waarneembare luchttrillingen;

    geluidhinder: gevaar, schade of hinder, als gevolg van geluid;

    gemeentelijk milieubeleidsplan: het gemeentelijke milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.16;

    gescheiden inzameling: inzameling waarbij een afvalstoffenstroom gescheiden gehouden wordt naar soort en aard van de afvalstoffen om een specifieke behandeling te vergemakkelijken;

    gevaarlijke afvalstof: afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit;

    hergebruik: elke handeling waarbij producten of componenten die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld;

    huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden;

    huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, behoudens voor zover het ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen;

    inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht;

    inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaar;

    inwonerequivalent: biochemisch zuurstofverbruik van 54 gram per etmaal;

    inzameling: verzameling van afvalstoffen, met inbegrip van de voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie;

    kaderrichtlijn afvalstoffen: richtlijn nr. 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU L 312);

    de kaderrichtlijn water: richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327), zoals deze is gewijzigd bij beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 tot vaststelling van de lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid en tot wijziging van richtlijn 2000/60/EG (PbEG L 331) en met inbegrip van wijzigingen uit hoofde van artikel 20, eerste lid, van de richtlijn, doch voor het overige naar de tekst zoals deze bij de richtlijn is vastgesteld;

    luchtverontreiniging: aanwezigheid in de buitenlucht van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in de Kernenergiewet, die op zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere stoffen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken;

    mengsel: een mengsel of een oplossing bestaande uit twee of meer stoffen;

    mer-richtlijn: Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2012, L 26);

    nationaal milieubeleidsplan: het nationale milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.3;

    nuttige toepassing: elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie, andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt, tot welke handelingen in ieder geval behoren de handelingen die zijn genoemd in bijlage II bij de kaderrichtlijn afvalstoffen;

    omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    omgevingsvergunning voor een inrichting: omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

    openbaar hemelwaterstelsel: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

    openbaar ontwateringsstelsel: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van grondwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

    openbaar vuilwaterriool: voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

    preventie: maatregelen die worden genomen voordat een stof, materiaal of product afvalstof is geworden, ter vermindering van:

    Protocol van Kyoto: op 11 december 1997 te Kyoto totstandgekomen Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1998, 170, en 1999, 110);

    provinciaal milieubeleidsplan: het provinciale milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.9;

    provinciale milieucommissie: de provinciale milieucommissie, bedoeld in artikel 2.41;

    provinciale milieuverordening: de verordening, bedoeld in artikel 1.2;

    Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering: op 9 mei 1992 te New York totstandgekomen Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1992, 189);

    recycling: nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, met inbegrip van het opnieuw bewerken van organische afvalstoffen, en met uitsluiting van energieterugwinning en het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;

    richtlijn beheer winningsafval: richtlijn nr. 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van de winningsindustrieën en houdende wijziging van Richtlijn nr. 2004/35/EG (PbEU L 102);

    stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater;

    stoffen: chemische elementen en de verbindingen ervan, zoals deze voorkomen in natuurlijke toestand of bij de vervaardiging ontstaan, met inbegrip van alle additieven die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit ervan en alle onzuiverheden ten gevolge van het toegepaste procédé, doch met uitzondering van elk oplosmiddel dat kan worden afgescheiden zonder dat de stabiliteit van de stof wordt aangetast of de samenstelling ervan wordt gewijzigd;

    storten: op of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze daar te laten;

    Verordening EU-register handel in emissierechten: registerverordening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten;

    Verordening monitoring en rapportage emissiehandel: Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L181);

    Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel: Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L181);

    verwerking: nuttige toepassing of verwijdering, met inbegrip van aan toepassing of verwijdering voorafgaande voorbereidende handelingen;

    verwijdering: elke handeling met afvalstoffen die geen nuttige toepassing is zelfs indien de handeling er in tweede instantie toe leidt dat stoffen of energie worden teruggewonnen, tot welke handelingen in ieder geval behoren de handelingen die zijn genoemd in bijlage I bij de kaderrichtlijn afvalstoffen;

    vliegtuigexploitant: vliegtuigexploitant als bedoeld in artikel 3, onder o, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten;

    voorbereiding voor hergebruik: nuttige toepassing bestaande uit controleren, schoonmaken of repareren, waarbij producten of componenten van producten, die afvalstoffen zijn geworden, worden klaargemaakt zodat ze zullen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is;

    winningsafvalstoffen: afvalstoffen die rechtstreeks afkomstig zijn uit de prospectie, winning, behandeling en opslag van mineralen en de exploitatie van groeven, met uitzondering van afvalstoffen afkomstig van offshore-prospectie, -winning en -behandeling;

    RIVM: Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu, genoemd in de Wet op het RIVM.

    • a.

      de hoeveelheden afvalstoffen, al dan niet via het hergebruik van producten of de verlenging van de levensduur van producten;

    • b.

      de negatieve gevolgen van de geproduceerde afvalstoffen voor het milieu en de menselijke gezondheid, of

    • c.

      het gehalte aan schadelijke stoffen in materialen en producten;

  • 2

    In deze wet en de daarop berustende bepalingen:

    • a.

      worden onder gevolgen voor het milieu in ieder geval verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen;

    • b.

      worden onder gevolgen voor het milieu mede verstaan gevolgen die verband houden met een doelmatig beheer van afvalstoffen of een doelmatig beheer van afvalwater, gevolgen die verband houden met het verbruik van energie en grondstoffen, alsmede gevolgen die verband houden met het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting;

    • c.

      worden onder bescherming van het milieu mede verstaan de verbetering van het milieu, de zorg voor een doelmatig beheer van afvalstoffen of een doelmatig beheer van afvalwater, de zorg voor een zuinig gebruik van energie en grondstoffen, alsmede de zorg voor de beperking van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting.

  • 3

    Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

  • 4

    Elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting wordt verstaan.

  • 5

    In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

    • a.

      onder het zich ontdoen van afvalstoffen mede verstaan het nuttig toepassen of verwijderen van afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan;

    • b.

      onder het zich door afgifte ontdoen van afvalstoffen mede verstaan:

      • 1°.

        het voor nuttige toepassing of verwijdering brengen van afvalstoffen vanuit een inrichting naar een elders gelegen inrichting die aan dezelfde natuurlijke of rechtspersoon behoort;

      • 2°.

        het tijdelijk voor nuttige toepassing afgeven van afvalstoffen;

      • 3°.

        het voor verwerking afgeven van afvalstoffen aan een afvalstoffenhandelaar.

  • 6

    Indien afvalstoffen die een behandeling voor nuttige toepassing hebben ondergaan, voldoen aan de ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de kaderrichtlijn afvalstoffen vastgestelde criteria en tevens behoren tot het soort afvalstoffen waarop die criteria van toepassing zijn, worden zij niet langer als afvalstoffen aangemerkt. Onze Minister kan per geval besluiten of bij ministeriële regeling per afvalstroom regelen dat een afvalstof, respectievelijk een afvalstroom, die een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan, niet als afval wordt aangemerkt, voor zover voor deze afvalstof respectievelijk afvalstroom geen criteria van toepassing zijn als bedoeld in de eerste volzin en ook wordt voldaan aan artikel 6, vierde lid, eerste volzin, van de kaderrichtlijn afvalstoffen. Bij ministeriële regeling wordt aangegeven welke stoffen, mengsels of voorwerpen in ieder geval, onverminderd het bepaalde in de eerste en tweede volzin, worden aangemerkt als afvalstoffen, indien de houder zich daarvan ontdoet, voornemens is zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moet ontdoen. Als afvalstoffen worden in elk geval niet aangemerkt stoffen, mengsels of voorwerpen die bijproducten zijn in de zin van artikel 5 van de kaderrichtlijn afvalstoffen, indien deze bijproducten voldoen aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en aan de in een krachtens dat artikel van de kaderrichtlijn afvalstoffen vastgestelde uitvoeringsmaatregel of in een regeling van Onze Minister daartoe aangegeven criteria.

  • 7

    Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van het bevorderen van nuttige toepassing worden bepaald dat geen sprake is van het zich ontdoen van afvalstoffen, indien bij die maatregel aangewezen stoffen, mengsels of voorwerpen:

    Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de aanwijzing van stoffen, mengsels of voorwerpen, de wijze van toepassing en de eisen, bedoeld in dit lid.

    • a.

      door de houder rechtstreeks worden afgegeven aan een persoon die deze stoffen, mengsels of voorwerpen geheel toepast op een bij die maatregel aangegeven wijze;

    • b.

      voldoen aan bij die maatregel te stellen eisen.

  • 8

    Een afvalstof wordt in ieder geval aangemerkt als huishoudelijke afvalstof onderscheidenlijk bedrijfsafvalstof, indien die afvalstof bij algemene maatregel van bestuur als zodanig is aangewezen.

  • 9

    Onze Minister kan, indien naar zijn oordeel in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, een regeling vaststellen van de in het zevende of achtste lid bedoelde strekking. Een zodanige regeling vervalt een jaar nadat zij in werking is getreden of, indien binnen die termijn een algemene maatregel van bestuur ter vervanging van die regeling in werking is getreden, op het tijdstip waarop die maatregel in werking treedt. Onze Minister kan de termijn bij ministeriële regeling eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen.

  • 10

    Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de aanwijzing van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid. Tevens kan Onze Minister of een door hem aan te wijzen instantie vaststellen dat een afvalstof, zoals die door de houder ter beoordeling wordt aangeboden:

    • a.

      niet de eigenschappen bezit op grond waarvan deze ingevolge bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen als gevaarlijke afvalstof dient te worden aangemerkt, uitgezonderd de gevallen waarin dat het gevolg is van verdunning of vermenging, bedoeld om de concentratie van gevaarlijke stoffen onder de drempelwaarde voor gevaarlijke stoffen te brengen;

    • b.

      hoewel deze niet als gevaarlijke afvalstof is aangewezen, toch de eigenschappen bezit op grond waarvan deze ingevolge de in onderdeel a genoemde bijlage als gevaarlijke afvalstof dient te worden aangemerkt.

  • 11

    Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder «genetisch gemodificeerde organismen».

  • 12

    Een wijziging van de bijlagen onderscheidenlijk een wijziging van een ingevolge artikel 5 of 6 van de kaderrichtlijn afvalstoffen vastgestelde maatregel gaat voor de toepassing van de in het eerste lid gegeven omschrijvingen van «nuttige toepassing» en «verwijdering» en voor de toepassing van het tiende lid, onderscheidenlijk het eerste en zesde lid, gelden met ingang van de dag waarop aan de desbetreffende wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

  • 13

    Een wijziging uit hoofde van artikel 20, eerste lid, van de kaderrichtlijn water gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant of op andere geschikte wijze wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Artikel 1.1a
  • 1

    Een ieder neemt voldoende zorg voor het milieu in acht.

  • 2

    De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

  • 3

    Het bepaalde in het eerste en tweede lid laat onverlet de uit het burgerlijk recht voortvloeiende aansprakelijkheid en de mogelijkheid van rechtspersonen als bedoeld in artikel 1, boek 2, van het Burgerlijk Wetboek, om uit dien hoofde in rechte op te treden.

§ 1.2 De provinciale milieuverordening

Artikel 1.2
  • 1

    Provinciale staten stellen ter bescherming van het milieu een verordening vast.

  • 2

    De verordening bevat ten minste:

    • a.

      regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden;

    • b.

      regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden.

  • 3

    Bij de verordening worden, voor zover dit naar het oordeel van provinciale staten van meer dan gemeentelijk belang is, verdere regels gesteld ter bescherming van het milieu.

  • 4

    Bij de verordening kan worden bepaald dat bij de verordening gestelde regels slechts gelden voor een of meer daarbij aan te wijzen delen van het grondgebied van de provincie.

  • 5

    De verordening bevat geen regels met betrekking tot de samenstelling of eigenschappen van produkten. Ten aanzien van gebieden die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn aangewezen, houdt de verordening geen regels in, die betrekking hebben op de agrarische bedrijfsvoering.

  • 6

    De verordening kan slechts, voor zover dit uit een oogpunt van doelmatige regelgeving bijzonder aangewezen is, regels bevatten die rechtstreeks betrekking hebben op bij die regels aangewezen categorieën van inrichtingen, voor zover:

    • a.

      ten aanzien van die inrichtingen het in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gestelde verbod niet geldt en die regels noodzakelijk zijn ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden, of

    • b.

      het regels betreft, inhoudende een verbod tot het oprichten of in werking hebben van dergelijke inrichtingen in gebieden als bedoeld onder a, dan wel tot het op een bij die verordening aan te geven wijze veranderen van dergelijke inrichtingen in die gebieden, of het veranderen van de werking daarvan.

  • 7

    Bij de verordening kan, voor zover het gevallen betreft als bedoeld in het zesde lid, worden bepaald dat het orgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor een inrichting te verlenen, bij het verlenen of wijzigen van de vergunning met betrekking tot de daarbij aangegeven onderwerpen in de daaraan verbonden voorschriften van bij de verordening gestelde regels kan afwijken. In dat geval wordt bij de verordening aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag van de regels kan afwijken. Bij de verordening kan tevens worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

  • 8

    Bij de vaststelling van de verordening houden provinciale staten rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan.

Artikel 1.2a

Bij de provinciale milieuverordening worden geen regels gesteld, die het naar of uit de provincie brengen van afvalstoffen beperken of uitsluiten.

Artikel 1.3
  • 1

    Bij de provinciale milieuverordening kan worden bepaald dat daarbij aangewezen bestuursorganen in daarbij aangegeven categorieën van gevallen ontheffing kunnen verlenen van bij die verordening aangewezen regels, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

  • 2

    De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt niet met betrekking tot inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist.

  • 3

    Het betrokken orgaan houdt bij de beslissing op de aanvraag om een ontheffing in ieder geval rekening met het voor hem geldende milieubeleidsplan.

Artikel 1.3a
  • 1

    De aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een project waarvan een activiteit deel uitmaakt waarvoor tevens een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, is vereist van:

    • a.

      regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a,

    • b.

      regels met betrekking tot activiteiten in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, of

    • c.

      andere bij provinciale milieuverordening daartoe aangewezen regels, draagt er zorg voor dat de aanvraag mede betrekking heeft op die activiteit.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de activiteit is toegestaan krachtens een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, of voor de activiteit een zodanige ontheffing is aangevraagd.

  • 3

    De krachtens artikel 1.3, eerste lid, aangewezen regels gelden niet voor zover de activiteiten waarop die regels betrekking hebben, zijn toegestaan krachtens een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid.

  • 4

    Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 1.3b
  • 2

    Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend en wordt de omgevingsvergunning geweigerd op de gronden die ten aanzien van een ontheffing voor de activiteit zijn aangegeven in de provinciale milieuverordening.

  • 4

    Voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, kan deze geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of kunnen de daaraan verbonden voorschriften worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken, dan wel kunnen alsnog voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning, op de gronden die ten aanzien van een ontheffing voor die activiteit zijn aangegeven in de provinciale milieuverordening.

  • 5

    Indien bij provinciale milieuverordening regels zijn aangewezen als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, onder c, worden bij de verordening regels gesteld met betrekking tot de gegevens en bescheiden die door de aanvrager om een omgevingsvergunning worden verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag met betrekking tot de activiteiten waarop die regels van toepassing zijn.

Artikel 1.3c
  • 1

    Bij de provinciale milieuverordening kunnen regels worden gesteld inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag voorschriften die nodig zijn ter bescherming van het milieu en waarvan de inhoud in die verordening is aangegeven, te verbinden aan de omgevingsvergunningen voor activiteiten als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, of voor inrichtingen die behoren tot een bij de verordening aangewezen categorie. Bij de verordening kan worden bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

  • 2

    Regels als bedoeld in het eerste lid kunnen niet betrekking hebben op beslissingen inzake vergunningen ten aanzien waarvan Onze Minister of Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is.

  • 3

    Bij de verordening wordt bepaald in hoeverre het bevoegd gezag met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen van bij de verordening gestelde regels kan afwijken of nadere eisen kan stellen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken of tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in bij de verordening aangegeven categorieën van gevallen.

  • 4

    Bij de verordening wordt voor de daarbij opgelegde verplichtingen het tijdstip aangegeven, waarop zij met betrekking tot de al verleende omgevingsvergunningen moeten zijn uitgevoerd.

Artikel 1.4
  • 1

    Bij de voorbereiding van het voorstel voor een provinciale milieuverordening plegen gedeputeerde staten overleg met de niet tot de provincie behorende bestuursorganen die het aangaat.

  • 2

    Gedeputeerde staten stellen de provinciale milieucommissie in de gelegenheid over het ontwerp van een verordening advies uit te brengen.

  • 3

    Van een besluit tot vaststelling of wijziging van de verordening wordt door gedeputeerde staten mededeling gedaan door toezending aan Onze Minister.

Hoofdstuk 2 Zelfstandige bestuursorganen en adviesorganen

§ 2.1 De Nederlandse emissieautoriteit

Artikel 2.1

Er is een Nederlandse emissieautoriteit, gevestigd te 's-Gravenhage.

Artikel 2.2
  • 1

    De emissieautoriteit heeft de in de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel en de in de hoofdstukken 16 en 18 en de titels 9.7 en 9.8 opgedragen taken.

  • 2

    De emissieautoriteit heeft voorts tot taak:

    • a.

      het bijhouden van gegevens en het opstellen van rapportages met betrekking tot de naleving door Nederland van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dat de beperking van de emissies van broeikasgassen in de lucht tot doel heeft;

    • b.

      het verzamelen van gegevens over technieken ter bepaling van de emissies van broeikasgassen waarop titel 16.2 van toepassing is;

    • c.

      het verzamelen van andere gegevens die met het oog op de uitoefening van haar taken van belang zijn;

    • d.

      het rapporteren aan Onze Minister en aan andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen instanties over de ontwikkeling van de onder a bedoelde emissies in Nederland alsmede over de overige aspecten van duurzaamheid van in Nederland te gebruiken brandstoffen en elektriciteit ten behoeve van vervoer.

  • 3

    Bij algemene maatregel van bestuur kan de emissieautoriteit, voorzover die taken niet de uitoefening van openbaar gezag inhouden, worden belast met andere taken dan in het eerste of tweede lid bedoeld, in het bijzonder taken betreffende de uitvoering door Nederland van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dat de beperking van de emissies van broeikasgassen in de lucht tot doel heeft.

  • 4

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de inhoud van de taken van de emissieautoriteit nadere regels worden gesteld.

Artikel 2.3
  • 1

    Het bestuur van de emissieautoriteit bestaat uit ten hoogste vijf leden.

  • 2

    Onze Minister benoemt uit de leden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.

  • 3

    De leden worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij zijn aansluitend twee malen herbenoembaar.

Artikel 2.4
[Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.5

Leden van het bestuur van de emissieautoriteit en medewerkers van de emissieautoriteit zijn direct noch indirect betrokken bij het overdragen van broeikasgasemissierechten, emissiereductie-eenheden, gecertificeerde emissiereducties, toegewezen eenheden en verwijderingseenheden, behoudens voor zover die betrokkenheid noodzakelijk is ter uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 2.6
[Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.7
  • 1

    Onze Minister stelt aan het bestuur van de emissieautoriteit ambtenaren ter beschikking.

  • 2

    Het bestuur van de emissieautoriteit draagt er zorg voor dat de werkzaamheden die voortvloeien uit artikel 18.2f, gescheiden worden uitgevoerd van de overige werkzaamheden.

Artikel 2.8

De emissieautoriteit stelt een bestuursreglement vast waarin haar werkwijze wordt vastgelegd.

Artikel 2.9

In afwijking van artikel 18, eerste lid, eerste volzin, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen stelt het bestuur van de emissieautoriteit jaarlijks voor 1 juli een jaarverslag op.

Artikel 2.10
[Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.11
[Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.12
[Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.13
[Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.14
[Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.15
[Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.16
  • 1

    Het bestuur van de emissieautoriteit en het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 te verlenen voor een inrichting waarop hoofdstuk 16 betrekking heeft, dan wel, in geval voor een inrichting waarop dat hoofdstuk betrekking heeft, het in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt, Onze Minister van Economische Zaken, verstrekken elkaar desgevraagd of uit eigen beweging tijdig alle voor de uitoefening van hun taken redelijkerwijs benodigde inlichtingen.

  • 2

    Bij het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen wordt waar nodig aangegeven welke gegevens een vertrouwelijk karakter dragen. Dit vertrouwelijk karakter kan voortvloeien uit de aard van de gegevens, dan wel uit het feit dat personen deze aan de bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, hebben verstrekt onder het beding dat zij als vertrouwelijk zullen gelden.

Artikel 2.16a
  • 2

    Onverminderd artikel 16.8 stemmen het bestuur van de emissieautoriteit en Onze Minister van Economische Zaken ingeval voor een inrichting waarop hoofdstuk 16 van deze wet betrekking heeft, het in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt, onderling de uitoefening van de taken af, waarmee zij zijn belast bij of krachtens hoofdstuk 16 van deze wet, onderscheidenlijk artikel 40 van de Mijnbouwwet.

Artikel 2.16b
[Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.16c
[Vervallen per 01-01-2012]

§ 2.2 De Commissie voor de milieueffectrapportage

Artikel 2.17
  • 1

    Er is een Commissie voor de milieueffectrapportage.

Artikel 2.18

De commissie brengt elk jaar aan Onze Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een verslag uit van haar werkzaamheden. Onze Ministers maken het verslag openbaar.

Artikel 2.19
  • 1

    De commissie bestaat uit leden die deskundig zijn op het gebied van de beschrijving, de bescherming en de verontreiniging en aantasting van het milieu en op het gebied van de overeenkomstig de artikelen 7.2 en 7.6 aangewezen activiteiten.

  • 2

    De voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters van de commissie worden door Ons, op gezamenlijke voordracht van Onze Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, benoemd en ontslagen. De voordracht tot benoeming van de voorzitter geschiedt in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad.

  • 3

    De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of plaatsvervangende voorzitters kunnen te allen tijde ontslag nemen door een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

  • 4

    De overige leden van de commissie worden benoemd en ontslagen door de voorzitter van de commissie voor de tijd van vijf jaren en zijn terstond wederbenoembaar. Zij kunnen te allen tijde ontslag nemen door een schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter.

Artikel 2.20
[Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 2.21
  • 1

    Zodra de commissie in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen met betrekking tot een milieueffectrapport, stelt de voorzitter, na overleg met de plaatsvervangende voorzitters, uit de leden van de commissie een werkgroep samen, die aan het bevoegd gezag advies uitbrengt. De voorzitter of de door hem aangewezen plaatsvervangende voorzitter van de commissie is voorzitter van de werkgroep.

  • 2

    Als lid van een werkgroep worden slechts leden van de commissie aangewezen, die niet rechtstreeks betrokken zijn of zijn geweest bij de activiteit of bij de alternatieven daarvoor, als bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, onder b, onderscheidenlijk artikel 7.23, eerste lid, onder b, of bij een plan onderscheidenlijk een besluit bij de voorbereiding waarvan het milieueffectrapport wordt of zou moeten worden gemaakt.

  • 3

    Indien een lid van een werkgroep niet meer voldoet aan het in het tweede lid gestelde vereiste, ontheft de voorzitter van de werkgroep hem, na overleg met de voorzitter van de commissie, van zijn lidmaatschap van de werkgroep.

  • 4

    De werkgroep kan zich doen bijstaan door deskundigen die geen lid zijn van de commissie. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5

    De voorzitter van de commissie deelt aan het bevoegd gezag en aan degene die het milieueffectrapport maakt of zou moeten maken, mede uit welke leden van de commissie de werkgroep bestaat en door welke deskundigen zij zich doet bijstaan.

Artikel 2.22
  • 1

    De adviezen worden uitgebracht in overeenstemming met het gevoelen van de meerderheid van de leden van de werkgroep.

  • 2

    Op verzoek van de leden die in de werkgroep een standpunt hebben verdedigd, dat afwijkt van het gevoelen van de meerderheid, wordt dat standpunt in het advies vermeld. Deze leden kunnen omtrent een zodanig standpunt een afzonderlijke nota bij het advies voegen.

Artikel 2.23

De commissie heeft een secretaris, die door de voorzitter wordt benoemd en ontslagen, de commissie gehoord. De commissie heeft een bureau, dat onder leiding staat van de secretaris.

Artikel 2.23a
  • 1

    De kosten van de commissie en het bureau worden gedekt uit door de commissie vast te stellen en in rekening te brengen tarieven voor de uit te brengen adviezen.

  • 2

    De in het eerste lid bedoelde tarieven hebben een rechtstreeks verband met de in dat lid bedoelde adviezen en belopen niet meer dan nodig is ter dekking van de gemaakte kosten voor die adviezen.

  • 3

    De in het eerste lid bedoelde tarieven behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 2.24

De commissie stelt nadere regels betreffende haar werkwijze en zendt deze aan Onze Minister.

§ 2.3 De Commissie genetische modificatie

Artikel 2.25
[Vervallen per 01-06-2007]
Artikel 2.26

Er is een Commissie genetische modificatie.

Artikel 2.27
  • 1

    De commissie heeft tot taak:

    • a.

      Onze Minister te adviseren over kennisgevingen en aanvragen om vergunning met betrekking tot het vervaardigen van of handelen met genetisch gemodificeerde organismen en over veiligheidsmaatregelen die in het kader daarvan moeten worden getroffen ter bescherming van mens en milieu;

    • b.

      het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een inrichting, te adviseren over aanvragen om vergunning met betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen inrichtingen voor zover die aanvragen betrekking hebben op het vervaardigen van of handelen met genetisch gemodificeerde organismen;

    • c.

      het bestuursorgaan dat belast is met het toezicht op het vervaardigen van of handelen met genetisch gemodificeerde organismen, te adviseren met betrekking tot dat toezicht.

  • 2

    Op verzoek van Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat, of uit eigen beweging informeert de commissie Onze betrokken Minister indien aan het vervaardigen van of aan handelingen met genetisch gemodificeerde organismen ethische of maatschappelijke aspecten zijn verbonden die naar het oordeel van de commissie van belang zijn.

Artikel 2.28

Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat, dragen er zorg voor dat de commissie op de hoogte wordt gehouden ten aanzien van het beleid op het terrein van het vervaardigen van of van handelingen met genetisch gemodificeerde organismen.

Artikel 2.29

Telkens binnen een termijn van vier jaren brengt de commissie een rapport uit aan Onze Minister, waarin ten minste de taak, de samenstelling, de inrichting en werkwijze van de commissie aan een onderzoek worden onderworpen en voorstellen kunnen worden gedaan voor gewenste veranderingen. Onze Minister zendt dit rapport, voorzien van zijn standpunt, aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 2.30
  • 1

    De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste vijftien en ten hoogste twintig andere leden.

  • 2

    De voorzitter en de andere leden van de commissie worden benoemd op grond van hun deskundigheid op het gebied van het vervaardigen van of van handelingen met genetisch gemodificeerde organismen en de mogelijke gevolgen daarvan voor mens en milieu, daarbij inbegrepen de ecologische gevolgen en de daarbij te nemen veiligheidsmaatregelen.

Artikel 2.31
  • 1

    De voorzitter van de commissie wordt door Onze Minister benoemd. Onze Minister hoort de commissie alvorens hij de voorzitter benoemt.

  • 2

    Onze Minister benoemt ten minste veertien en ten hoogste negentien andere leden van de commissie.

  • 3

    De voorzitter en de leden worden voor de tijd van vier jaren benoemd. Zij zijn terstond weer benoembaar.

  • 4

    De voorzitter en de leden kunnen te allen tijde hun functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister.

  • 5

    Onze Minister kan in bijzondere gevallen de voorzitter en de andere leden in hun functie schorsen en uit hun functie ontslaan.

Artikel 2.32
  • 1

    De commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan.

  • 2

    De plaatsvervangend voorzitter kan te allen tijde zijn functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter.

  • 3

    In bijzondere gevallen kan de commissie de plaatsvervangend voorzitter in zijn functie schorsen en uit zijn functie ontslaan.

Artikel 2.33
  • 1

    De commissie wordt bijgestaan door een secretaris. Aan de secretaris kan een adjunct-secretaris worden toegevoegd.

  • 2

    De secretaris en de adjunct-secretaris worden door Onze Minister benoemd, in hun functie geschorst en uit hun functie ontslagen, de commissie gehoord.

  • 3

    De secretaris is geen lid van de commissie.

  • 4

    De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.

  • 5

    Onze Minister kan voorzien in een bureau voor de commissie, dat onder leiding staat van de secretaris.

Artikel 2.34
  • 1

    De commissie kan voor bepaalde onderwerpen subcommissies instellen.

  • 2

    De voorzitter van een subcommissie wordt door de commissie uit haar midden benoemd.

Artikel 2.35
  • 1

    De commissie en haar subcommissies kunnen zich bij hun werkzaamheden doen bijstaan door personen die geen lid zijn van de commissie.

  • 2

    Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kunnen, ieder voor hun ministerie, ambtenaren aanwijzen, die bevoegd zijn tot het bijwonen van de door de commissie en haar subcommissies te houden vergaderingen, met dien verstande dat in de vergaderingen van de commissie voor ieder van die ministeries ten hoogste één ambtenaar aanwezig is.

Artikel 2.36
  • 1

    De vergaderingen van de commissie zijn openbaar. De commissie stelt bij haar in artikel 2.40 bedoelde besluit regels betreffende de openbaarheid van de vergaderingen van de subcommissies.

Artikel 2.37
  • 1

    De adviezen van de commissie worden uitgebracht overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de vergadering.

  • 2

    Ter vergadering ingebrachte minderheidsstandpunten worden in of bij de adviezen vermeld.

Artikel 2.38

De commissie houdt de op de door haar uitgebrachte adviezen betrekking hebbende voorbereidende stukken ter beschikking van Onze Minister en van de bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, onder b en c.

Artikel 2.39
  • 1

    De voorzitter van de commissie pleegt ten minste eenmaal per jaar overleg met Onze Minister over de door de commissie voorgenomen werkzaamheden voor de komende twaalf maanden. De commissie stelt vervolgens het programma van haar werkzaamheden vast en zendt dit aan Onze Minister.

  • 2

    Ten behoeve van de voorbereiding van het in het eerste lid bedoelde overleg stelt de commissie een overzicht van de door haar voorgenomen werkzaamheden op en legt dit tijdig aan Onze Minister voor. De commissie voegt bij het overzicht een raming van de met de uitvoering van de werkzaamheden gepaard gaande kosten.

  • 3

    De commissie oefent haar werkzaamheden uit binnen het raam van de middelen welke haar jaarlijks ingevolge de begrotingswet ter beschikking worden gesteld.

Artikel 2.40

De commissie stelt nadere regels betreffende haar werkwijze en de werkwijze van haar subcommissies en zendt deze aan Onze Minister.

§ 2.4 De provinciale milieucommissie

Artikel 2.41
  • 1

    Provinciale staten en gedeputeerde staten stellen overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet gezamenlijk een provinciale milieucommissie in, die door provinciale staten en gedeputeerde staten vooraf wordt gehoord over maatregelen en plannen, die van betekenis zijn voor het provinciale milieubeheer.

  • 2

    Provinciale staten en gedeputeerde staten benoemen elk een gelijk aantal leden.

  • 3

    De inspecteur is ambtshalve lid van de commissie.

Hoofdstuk 3 Internationale zaken

Artikel 3.1

[Red: Gereserveerd.]

Hoofdstuk 4 Plannen

§ 4.1 Algemeen

Artikel 4.1

In dit hoofdstuk wordt onder Onze Ministers verstaan: Onze Minister, te zamen met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken, en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft, die tot hun verantwoordelijkheid behoren.

Artikel 4.1a
  • 1

    Indien ter uitvoering van een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie een plan of programma moet worden vastgesteld waarvoor geen grondslag in de wet is opgenomen en ten aanzien waarvan ingevolge artikel 2, tweede lid, van richtlijn nr. 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 156) in inspraak van het publiek moet worden voorzien, is op de voorbereiding van dat plan of programma afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een herziening van een plan of programma.

  • 3

    Een wijziging van de in het eerste lid genoemde richtlijn of van een bijlage bij die richtlijn gaat voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij een besluit van Onze Minister, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Artikel 4.1b
  • 1

    Voorzover op de voorbereiding van een in deze wet voorzien plan of programma dat wordt genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 156), de procedure van toepassing is die is voorgeschreven in hoofdstuk 7, geldt uitsluitend die procedure en blijven de bepalingen die terzake in andere hoofdstukken, onderscheidenlijk in deze wet, zijn opgenomen, voorzover nodig buiten toepassing.

  • 2

    Een wijziging van bijlage I bij de in het eerste lid genoemde richtlijn gaat voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij een besluit van Onze Minister, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Artikel 4.2
  • 1

    Het Planbureau voor de Leefomgeving brengt eenmaal in de vier jaar aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu wordt beschreven over een door Onze Minister aan te geven periode van ten minste de eerstvolgende tien jaar. In ieder geval wordt die ontwikkeling beschreven, uitgaande van de voor die periode meest waarschijnlijke ontwikkeling van de omstandigheden die daarvoor van belang zijn. Tevens worden in het rapport beschrijvingen opgenomen, die telkens uitgaan van andere ontwikkelingen van die omstandigheden, die zich, naar redelijkerwijs kan worden verondersteld, in de betrokken periode zouden kunnen voordoen. Het rapport wordt uitgebracht ten minste 6 maanden en ten hoogste 12 maanden voordat Onze Ministers het eerstvolgende nationale milieubeleidsplan vaststellen. Om aan deze verplichting te kunnen voldoen in gevallen waarin de geldingsduur van een nationaal milieubeleidsplan met toepassing van artikel 4.6, tweede lid, wordt verlengd, kan worden afgeweken van de in de eerste volzin gestelde termijn van vier jaar.

  • 2

    Het Planbureau voor de Leefomgeving brengt eenmaal in de twee jaar aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu wordt beschreven, die het resultaat is van de uitvoering van de beleidsmaatregelen die van invloed zijn op die kwaliteit en die in de periode waarop het rapport betrekking heeft, van kracht waren. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven in hoeverre die maatregelen hebben bijgedragen aan de verwezenlijking van de resultaten, waarvan in het geldende nationale milieubeleidsplan is aangegeven dat zij voor de betrokken periode zijn beoogd. Tevens wordt aangegeven hoe de beschreven ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu zich verhoudt tot de ontwikkeling daarvan die is beschreven in de overeenkomstige eerder uitgebrachte rapporten. Indien zich onvoorzien een omstandigheid voordoet die belangrijke gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu op langere termijn, en Onze Minister daarom verzoekt, neemt het Planbureau voor de Leefomgeving in een rapport tevens een beschrijving op van die ontwikkeling die daarvan het resultaat kan zijn.

  • 3

    Onze Minister wijst, te zamen met - ieder voor zover het hem aangaat - Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Economische Zaken, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, overheidsinstellingen aan, die door het Planbureau voor de Leefomgeving in ieder geval worden betrokken bij het opstellen van de rapporten. Een overheidsinstelling komt voor aanwijzing slechts in aanmerking indien zij in staat is naar organisatie, personeel en uitrusting de voor het opstellen van de rapporten nodige werkzaamheden op passend wetenschappelijk niveau te verrichten.

  • 4

    Onze Minister kan, te zamen met - ieder voor zover het hem aangaat - Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Economische Zaken, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, regels stellen ten aanzien van de wijze waarop de krachtens het derde lid aangewezen overheidsinstellingen bij het opstellen van de rapporten worden betrokken.

Artikel 4.2a
  • 1

    Onze Minister kan aanwijzingen geven omtrent veronderstelde ontwikkelingen die in ieder geval als grondslag voor beschrijvingen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, moeten worden aangenomen. Hij kan tevens aanwijzingen geven omtrent onderwerpen die in ieder geval in een rapport, als bedoeld in dat artikellid, moeten worden beschreven.

  • 2

    Behoudens het in het artikel 4.2, tweede lid, vierde volzin, en in het eerste lid van dit artikel bepaalde, geven Onze betrokken Ministers het Planbureau voor de Leefomgeving en de krachtens artikel 4.2, derde lid, aangewezen instellingen geen aanwijzingen met betrekking tot de inhoud van de rapporten.

  • 3

    Onze Minister zendt de rapporten aan de Staten-Generaal; een rapport als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, voor of gelijktijdig met het eerstvolgende nationale milieubeleidsplan. Het Planbureau voor de Leefomgeving draagt ervoor zorg dat de rapporten algemeen verkrijgbaar worden gesteld.

Artikel 4.2b

Ten behoeve van het opstellen van milieubeleidsplannen verschaffen de onderscheidene overheidsorganen elkaar desgevraagd alle inlichtingen en gegevens, waarover zij kunnen beschikken, voor zover die voor dat opstellen redelijkerwijs noodzakelijk zijn.

§ 4.2 Het nationale milieubeleidsplan

Artikel 4.3
  • 1

    Onze Ministers stellen ten minste eenmaal in de vier jaar een nationaal milieubeleidsplan vast, dat met het oog op de bescherming van het milieu richting geeft aan van rijkswege in de eerstvolgende vier jaar te nemen beslissingen, en dat naar verwachting tevens richting zal kunnen geven aan in de daarop volgende vier jaar te nemen beslissingen.

  • 2

    Het plan bevat de hoofdzaken van het door de regering te voeren milieubeleid, dat in het bijzonder is gericht op een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien, en op het bereiken van een zo hoog mogelijk niveau van bescherming van het milieu als redelijkerwijze te bereiken is. De mogelijke ontwikkelingen in de samenleving en de gewenste kwaliteit van het milieu op lange termijn, alsmede de daarvoor van belang zijnde internationale ontwikkelingen, worden in het plan in beschouwing genomen.

  • 3

    Tot deze hoofdzaken behoren ten minste:

    • a.

      de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover deze redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende vier jaar beoogde resultaten inzake de kwaliteit van de onderscheidene onderdelen van het milieu;

    • b.

      de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover deze redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende vier jaar beoogde resultaten inzake het voorkomen, beperken of ongedaan maken van gevolgen van menselijke activiteiten die het milieu verontreinigen, aantasten of uitputten;

    • c.

      de aanduiding van gebieden waarin de kwaliteit van het milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft;

    • d.

      de wijze waarop het bereiken en instandhouden van de onder a , b en c bedoelde resultaten zal worden nagestreefd en de termijnen die daarbij zullen worden gehanteerd, alsmede de mate van prioriteit die aan het bereiken van die resultaten wordt gegeven;

    • e.

      de redelijkerwijze te verwachten financiële, economische en ruimtelijke gevolgen van het te voeren milieubeleid.

  • 4

    In het plan geven Onze Ministers voorts aan in hoeverre het voorgenomen beleid is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van het nationale waterbeleid en het nationale natuurbeleid, en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Waterwet, respectievelijk de natuurvisie, bedoeld in artikel 1.5 van de Wet natuurbescherming te herzien. Met het geldende nationale milieubeleidsplan wordt tevens rekening gehouden bij de vaststelling van beleid op andere beleidsterreinen, voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu wordt geraakt.

Artikel 4.4
  • 1

    Onze Ministers betrekken bij de voorbereiding van het nationale milieubeleidsplan de naar hun oordeel bij de te behandelen onderwerpen meest belanghebbende bestuursorganen, instellingen en organisaties. Daartoe behoren in elk geval gedeputeerde staten van de provincies.

Artikel 4.5
  • 1

    Zodra het nationale milieubeleidsplan is vastgesteld, doen Onze Ministers hiervan mededeling door overlegging van het plan aan de Staten-Generaal en door toezending ervan aan gedeputeerde staten van de provincies.

  • 2

    Onze Minister maakt de vaststelling bekend in de Staatscourant. Hierbij geeft hij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de inhoud van het plan.

Artikel 4.6
  • 1

    Het nationale milieubeleidsplan geldt met ingang van een bij besluit van Onze Ministers vast te stellen tijdstip. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin, wordt niet eerder genomen dan acht weken nadat het plan ingevolge artikel 4.5, eerste lid, is overgelegd aan de Staten-Generaal. Indien door of namens een der kamers der Staten-Generaal binnen acht weken nadat het plan is overgelegd, te kennen wordt gegeven dat zij over het plan in het openbaar wil beraadslagen, wordt een besluit als bedoeld in de eerste volzin, niet eerder genomen dan zes maanden na de overlegging van het plan, dan wel, indien de beraadslagingen op een eerder tijdstip zijn beëindigd, na die beraadslagingen. Onze Ministers stellen de Staten-Generaal schriftelijk op de hoogte van de gevolgtrekkingen die zij aan de beraadslagingen verbinden voor het nationale milieubeleid en voor de uitvoering van het plan. Onze Minister maakt een besluit als bedoeld in de eerste volzin, bekend in de Staatscourant en vermeldt daarbij de gevolgtrekkingen die aan de Staten-Generaal zijn meegedeeld.

  • 2

    Het plan geldt, behoudens ingeval eerder een nieuw plan is vastgesteld, voor een tijdvak van vier jaar. Onze Ministers kunnen de geldingsduur van het plan eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen. Onze Minister doet mededeling van een besluit als bedoeld in de tweede volzin, door overlegging van het besluit aan de Staten-Generaal en maakt het bekend in de Staatscourant.

  • 3

    De organen van het Rijk houden in elk geval rekening met het geldende nationale milieubeleidsplan bij het nemen van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in bijlage 1, voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen.

  • 4

    Het derde lid is niet van toepassing op besluiten:

    • a.

      met betrekking tot het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Waterwet;

    • b.

      die door een orgaan van het Rijk worden genomen in de plaats van een orgaan van een ander openbaar lichaam, wegens het in gebreke blijven van dat orgaan.

  • 5

    Voor de toepassing van het derde lid worden gevolgtrekkingen die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid aan de Staten-Generaal zijn meegedeeld, aangemerkt als onderdeel van het plan.

§ 4.3 Het nationale milieuprogramma
[Vervallen per 25-04-2013]

Artikel 4.7
[Vervallen per 25-04-2013]
Artikel 4.8
[Vervallen per 25-04-2013]

§ 4.4 Het provinciale milieubeleidsplan

Artikel 4.9
  • 1

    Provinciale staten stellen ten minste eenmaal in de vier jaar een provinciaal milieubeleidsplan vast, dat met het oog op de bescherming van het milieu richting geeft aan in de eerstvolgende vier jaar te nemen beslissingen van provinciale staten en gedeputeerde staten en van bestuursorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn gedelegeerd bij de uitoefening waarvan met het plan rekening moet worden gehouden, en dat naar verwachting tevens richting zal kunnen geven aan in de daarop volgende vier jaar te nemen beslissingen.

  • 2

    Het plan bevat de hoofdzaken van het door provinciale staten en gedeputeerde staten te voeren milieubeleid.

  • 3

    Tot deze hoofdzaken behoren ten minste:

    • a.

      de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover deze redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende vier jaar beoogde resultaten inzake de kwaliteit van de onderscheidene onderdelen van het milieu, mede gelet op de krachtens of overeenkomstig artikel 5.1, eerste lid, vastgestelde milieukwaliteitseisen en de in bijlage 2 opgenomen luchtkwaliteitseisen;

    • b.

      de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover deze redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende vier jaar beoogde resultaten inzake het voorkomen, beperken of ongedaan maken van gevolgen van menselijke activiteiten die het milieu verontreinigen, aantasten of uitputten;

    • c.

      de aanduiding van gebieden waarin de kwaliteit van het milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft;

    • d.

      de wijze waarop het bereiken en instandhouden van de onder a, b en c bedoelde resultaten door de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen zal worden nagestreefd en de termijnen die daarbij zullen worden gehanteerd, alsmede de mate van prioriteit die aan het bereiken van die resultaten wordt gegeven;

    • e.

      de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren milieubeleid.

  • 4

    Tot de gebieden, bedoeld in het derde lid, onder c, behoren ten minste:

    behoudens voor zover bij die aanwijzing anders is bepaald.

Artikel 4.10
  • 1

    Het provinciale milieubeleidsplan wordt voorbereid door gedeputeerde staten.

  • 2

    Gedeputeerde staten betrekken bij de voorbereiding van het plan de naar hun oordeel bij de te behandelen onderwerpen meest belanghebbende overheidsorganen. Daartoe behoren in elk geval:

    • a.

      gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies,

    • b.

      de bestuursorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn gedelegeerd bij de uitoefening waarvan met het plan rekening moet worden gehouden, en

    • c.

      Onze Minister.

  • 3

    Gedeputeerde staten betrekken bij de voorbereiding van het plan voorts de ingezetenen en belanghebbenden, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde verordening.

Artikel 4.11
  • 1

    Zodra het provinciale milieubeleidsplan is vastgesteld, doen gedeputeerde staten hiervan mededeling door toezending van het plan aan Onze Minister en aan de bestuursorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn gedelegeerd bij de uitoefening waarvan met het plan rekening moet worden gehouden.

  • 2

    Gedeputeerde staten maken de vaststelling bekend in de Staatscourant. Hierbij geven zij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de inhoud van het plan.

Artikel 4.12
  • 1

    Het provinciale milieubeleidsplan geldt, behoudens ingeval eerder een nieuw plan is vastgesteld, voor een tijdvak van vier jaar nadat de vaststelling ervan overeenkomstig artikel 4.11, tweede lid, is bekendgemaakt.

  • 2

    Provinciale staten kunnen de geldingsduur van het plan eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen. Gedeputeerde staten doen mededeling van een besluit als bedoeld in de eerste volzin, door toezending daarvan aan Onze Minister en aan de bestuursorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn gedelegeerd bij de uitoefening waarvan met het plan rekening moet worden gehouden. Zij maken het bekend in de Staatscourant.

  • 3

    Provinciale staten en gedeputeerde staten houden in elk geval rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan bij het nemen van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in bijlage 1, voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen.

  • 4

    Het derde lid is niet van toepassing op besluiten:

    • a.

      met betrekking tot een regionaal waterplan als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet;

    • b.

      die door provinciale staten of gedeputeerde staten worden genomen in de plaats van een orgaan van een ander openbaar lichaam, wegens het in gebreke blijven van dat orgaan.

  • 5

    Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten:

    • a.

      die door een orgaan van een ander openbaar lichaam worden genomen in de plaats van provinciale staten of gedeputeerde staten wegens het in gebreke blijven van provinciale staten onderscheidenlijk gedeputeerde staten;

    • b.

      krachtens een provinciale bevoegdheid die aan een orgaan van een ander openbaar lichaam is overgedragen.

Artikel 4.13
[Vervallen per 01-10-2012]

§ 4.5 Het provinciale milieuprogramma
[Vervallen per 25-04-2013]

Artikel 4.14
[Vervallen per 25-04-2013]
Artikel 4.15
[Vervallen per 25-04-2013]

§ 4.5a Het regionale milieubeleidsplan
[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 4.15a
[Vervallen per 01-01-2015]

§ 4.5b Het regionale milieuprogramma
[Vervallen per 25-04-2013]

Artikel 4.15b
[Vervallen per 25-04-2013]

§ 4.6 Het gemeentelijke milieubeleidsplan

Artikel 4.16
  • 1

    De gemeenteraad kan een gemeentelijk milieubeleidsplan vaststellen, dat met het oog op de bescherming van het milieu richting geeft aan door de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders te nemen beslissingen.

  • 2

    Het plan bevat de hoofdzaken van het door de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders te voeren milieubeleid.

Artikel 4.17
  • 1

    Het gemeentelijke milieubeleidsplan wordt voorbereid door burgemeester en wethouders.

  • 2

    Burgemeester en wethouders betrekken bij de voorbereiding van het plan de naar hun oordeel bij de te behandelen onderwerpen meest belanghebbende bestuursorganen. Daartoe behoren in elk geval:

    • a.

      gedeputeerde staten,

    • b.

      burgemeester en wethouders van de aangrenzende gemeenten, en

    • c.

      Onze Minister.

  • 3

    Burgemeester en wethouders betrekken bij de voorbereiding van het plan voorts de ingezetenen en belanghebbenden, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening.

Artikel 4.18
  • 1

    Zodra het gemeentelijke milieubeleidsplan is vastgesteld, doen burgemeester en wethouders hiervan mededeling door toezending van het plan aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur.

  • 2

    Burgemeester en wethouders maken de vaststelling bekend in één of meer dag- of nieuwsbladen die in de gemeente verspreid worden. Hierbij geven zij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de inhoud van het plan.

Artikel 4.19
  • 1

    Bij de vaststelling van het gemeentelijke milieubeleidsplan bepaalt de gemeenteraad het tijdvak gedurende hetwelk het geldt.

  • 2

    De gemeenteraad kan de geldingsduur eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen. Artikel 4.18, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3

    Indien in de gemeente een gemeentelijk milieubeleidsplan geldt, houdt de gemeenteraad onderscheidenlijk houden burgemeester en wethouders in elk geval rekening met dat plan bij het nemen van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in bijlage 1, voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen.

  • 4

    Het derde lid is niet van toepassing op besluiten krachtens een bevoegdheid van een ander openbaar lichaam, die aan de gemeenteraad of burgemeester en wethouders is gedelegeerd.

§ 4.7 Het gemeentelijke milieuprogramma
[Vervallen per 25-04-2013]

Artikel 4.20
[Vervallen per 25-04-2013]
Artikel 4.21
[Vervallen per 25-04-2013]

§ 4.8 Het gemeentelijke rioleringsplan

Artikel 4.22
  • 1

    De gemeenteraad stelt telkens voor een daarbij vast te stellen periode een gemeentelijk rioleringsplan vast.

  • 2

    Het plan bevat ten minste:

    • a.

      een overzicht van de in de gemeente aanwezige voorzieningen voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater als bedoeld in artikel 10.33, alsmede de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater als bedoeld in artikel 3.5 van de Waterwet, en maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, als bedoeld in artikel 3.6 van laatstgenoemde wet en een aanduiding van het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn;

    • b.

      een overzicht van de in de door het plan bestreken periode aan te leggen of te vervangen voorzieningen als bedoeld onder a ;

    • c.

      een overzicht van de wijze waarop de voorzieningen, bedoeld onder a en b , worden of zullen worden beheerd;

    • d.

      de gevolgen voor het milieu van de aanwezige voorzieningen als bedoeld onder a, en van de in het plan aangekondigde activiteiten;

    • e.

      een overzicht van de financiële gevolgen van de in het plan aangekondigde activiteiten.

  • 3

    Indien in de gemeente een gemeentelijk milieubeleidsplan geldt, houdt de gemeenteraad met dat plan rekening bij de vaststelling van een gemeentelijk rioleringsplan.

  • 4

    Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, aan gemeenten de plicht opleggen tot prestatievergelijking ten aanzien van de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10.33, alsmede de taken, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6 van de Waterwet. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de frequentie, inhoud en omvang van de prestatievergelijking.

Artikel 4.23
  • 1

    Het gemeentelijke rioleringsplan wordt voorbereid door burgemeester en wethouders. Zij betrekken bij de voorbereiding van het plan in elk geval:

    • a.

      gedeputeerde staten,

    • b.

      de beheerders van de zuiveringstechnische werken waarnaar het ingezamelde afvalwater wordt getransporteerd, en

    • c.

      de beheerders van de oppervlaktewateren waarop het ingezamelde water wordt geloosd.

  • 2

    Zodra het plan is vastgesteld, doen burgemeester en wethouders hiervan mededeling door toezending van het plan aan de in het eerste lid, onder a tot en met c, genoemde instanties, en Onze Minister.

  • 3

    Burgemeester en wethouders maken de vaststelling bekend in één of meer dag- of nieuwsbladen die in de gemeente verspreid worden. Hierbij geven zij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de inhoud van het plan.

Artikel 4.24
[Vervallen per 01-10-2012]

Hoofdstuk 5 Milieukwaliteitseisen

Hoofdstuk 6 Milieuzonering

Artikel 6.1

[Red: Gereserveerd.]

Hoofdstuk 7 Milieueffectrapportage

§ 7.1 Algemeen

Artikel 7.1
  • 1

    In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    Onze Ministers: Onze Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

    de commissie: de Commissie voor de milieueffectrapportage.

  • 3

    Het tweede lid, onder a, onder 2°, geldt niet indien een bepaling uitsluitend betrekking heeft op een besluit als bedoeld in dat lid, onder c.

  • 4

    In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder bevoegd gezag verstaan het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden dan wel vaststellen van een plan of een besluit.

  • 5

    In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden, voor zover zij niet reeds op grond van andere wettelijke bepalingen als zodanig dienen te worden aangemerkt, tevens als adviseurs aangemerkt:

    • a.

      indien het bevoegd gezag een orgaan van de centrale overheid is: een door Onze Minister aangewezen bestuursorgaan, een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen bestuursorgaan en een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangewezen bestuursorgaan;

    • b.

      indien het bevoegd gezag een ander bestuursorgaan is:

  • 6

    In afwijking van artikel 1.1, tweede lid, onder a, worden in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen onder gevolgen voor het milieu verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, waaronder de kwetsbaarheid voor risico’s op zware ongevallen of rampen, gezien vanuit het belang van de bescherming van:

    • a.

      de bevolking en de menselijke gezondheid;

    • b.

      de biodiversiteit, met bijzondere aandacht voor op grond van de Wet natuurbescherming beschermde habitats en soorten;

    • c.

      land, bodem, water, lucht en klimaat;

    • d.

      materiële goederen, het cultureel erfgoed en het landschap;

    • e.

      de samenhang tussen de onder a tot en met d genoemde factoren.

Artikel 7.1a
[Vervallen per 01-07-2010]

§ 7.2 Plannen en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapport verplicht is

Artikel 7.2
  • 1

    Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen:

    • a.

      die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

    • b.

      ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

  • 2

    Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden bij de maatregel de categorieën van plannen aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Een plan wordt slechts aangewezen indien het plan het kader vormt voor een besluit als bedoeld in het derde of vierde lid. Een plan vormt in elk geval het kader voor een zodanig besluit indien in dat plan:

    • a.

      een locatie of een tracé wordt aangewezen voor die activiteiten, of

    • b.

      een of meerdere locaties of tracés voor die activiteiten worden overwogen.

  • 3

    Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden de categorieën van besluiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

  • 4

    Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

  • 5

    Bij de maatregel kan een plan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in het derde of vierde lid, mits dat plan voor de desbetreffende activiteit niet is aangewezen op grond van het tweede lid.

  • 6

    Tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, kunnen mede activiteiten behoren, die in samenhang met andere activiteiten belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu.

  • 7

    Tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, behoren activiteiten waarvoor bij de maatregel categorieën van plannen en besluiten worden aangewezen en die plaatsvinden in de exclusieve economische zone.

  • 8

    Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing van een activiteit, dan wel van een plan of besluit slechts geldt in daarbij aangewezen categorieën van gevallen.

Artikel 7.2a
  • 1

    Een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.

  • 2

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin sprake is van kleine gebieden en kleine wijzigingen die geen aanzienlijke milieueffecten hebben, waarop de verplichting tot het maken van een milieueffectrapport, als bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing is.

  • 3

    Tot een activiteit als bedoeld in het eerste lid behoort een activiteit als bedoeld in dat lid die plaatsvindt in de exclusieve economische zone.

Artikel 7.3
  • 1

    Bij de maatregel, bedoeld in artikel 7.2, worden geen plannen aangewezen die:

    • a.

      uitsluitend betrekking hebben op de landsverdediging of op een noodsituatie als bedoeld in de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden;

    • b.

      betrekking hebben op de begroting of financiën van het Rijk, de provincie, de gemeente of een waterschap.

  • 2

    Artikel 7.2a is niet van toepassing met betrekking tot plannen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 7.4

Het bevoegd gezag kan op verzoek of ambtshalve ontheffing verlenen van de verplichtingen op grond van dit hoofdstuk voor een besluit als bedoeld in artikel 7.2, derde of vierde lid, voor een activiteit of deelactiviteit die uitsluitend bestemd is voor defensiedoeleinden, of voor een activiteit die uitsluitend noodzakelijk is vanwege een noodtoestand als bedoeld in de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden, als naar zijn oordeel toepassing van die verplichtingen in dat geval nadelige gevolgen heeft voor de defensiedoeleinden of het bestrijden van de noodtoestand.

Artikel 7.5
  • 1

    Onze Minister kan voor een besluit als bedoeld in artikel 7.2, derde of vierde lid, op verzoek van degene die de activiteit wil ondernemen, ontheffing verlenen voor de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 7.16 tot en met 7.27 en artikel 7.32, vijfde lid, indien de toepassing van die artikelen nadelige gevolgen heeft voor het doel van de activiteit, tenzij de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor een ander land kan hebben.

  • 2

    Als toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bepaalt Onze Minister bij de ontheffing of degene die de betrokken activiteit wil ondernemen een rapport met een andere beoordeling van de milieueffecten moet opstellen. Als Onze Minister beslist dat een rapport moet worden opgesteld wordt in de artikelen 7.28 tot en met 7.38 en de artikelen 7.39 tot en met 7.42 voor «het milieueffectrapport» telkens gelezen: het rapport, bedoeld in artikel 7.5, tweede lid, eerste zin.

  • 4

    Onze Minister zendt tegelijk met de kennisgeving een afschrift van de ontheffing met de daarbij behorende stukken aan de Europese Commissie en doet mededeling van de verzending aan degene die de activiteit wil ondernemen.

  • 5

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het verzoek om ontheffing geschiedt en de bescheiden die door de verzoeker worden verstrekt met het oog op beslissing op het verzoek.

Artikel 7.6
  • 1

    Provinciale staten kunnen met het oog op de bescherming van het milieu in binnen hun provincie gelegen gebieden, niet zijnde Natura 2000-gebieden als bedoeld in de Wet natuurbescherming, die van bijzondere betekenis zijn of waarin het milieu reeds in ernstige mate is verontreinigd of aangetast in de provinciale milieuverordening activiteiten aanwijzen, die niet zijn opgenomen in een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder a, en die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu in die gebieden. Artikel 7.2, zesde en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3

    Terzake van die activiteiten wijzen zij de categorieën van besluiten aan bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt indien die activiteiten binnen hun provincie worden uitgevoerd.

  • 4

    Op de voorbereiding van een besluit, houdende een aanwijzing krachtens het eerste tot en met derde lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing; zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. Gedeputeerde staten plegen over het ontwerp overleg met burgemeester en wethouders van de gemeenten en de dagelijkse besturen van de waterschappen in hun provincie. Zij stellen de bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.1, vijfde lid, onder b, onder 1, en Onze Minister in de gelegenheid omtrent het ontwerp advies uit te brengen.

  • 5

    Gedeputeerde staten leggen met het ontwerp van het besluit aan provinciale staten een verslag over van het gevoerde overleg, de uitgebrachte adviezen en de naar voren gebrachte zienswijzen, waarbij zij onder opgave van redenen aangeven in hoeverre daarmee rekening is gehouden.

  • 6

    Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit, houdende een aanwijzing als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, wordt daarvan mededeling gedaan door toezending van een exemplaar aan ieder van Onze Ministers en, voorzover het de aanwijzing betreft van categorieën van besluiten als bedoeld in het derde lid, aan de commissie.

§ 7.3 Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan

Artikel 7.7
  • 1

    Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan, wordt opgesteld door het bevoegd gezag en bevat ten minste:

    • a.

      een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit wordt beoogd;

    • b.

      een beschrijving van de voorgenomen activiteit, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven;

    • c.

      een overzicht van eerder vastgestelde plannen die betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven;

    • d.

      een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, alsmede van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien die activiteit noch de alternatieven worden ondernomen;

    • e.

      een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven;

    • f.

      een vergelijking van de ingevolge onderdeel d beschreven te verwachten ontwikkeling van het milieu met de beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit, alsmede met de beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van elk der in beschouwing genomen alternatieven;

    • g.

      een beschrijving van de maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen op het milieu van de activiteit te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen;

    • h.

      een overzicht van de leemten in de beschrijvingen, bedoeld in de onderdelen d en e, ten gevolge van het ontbreken van de benodigde gegevens;

    • i.

      een samenvatting die aan een algemeen publiek voldoende inzicht geeft voor de beoordeling van het milieueffectrapport en van de daarin beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en van de beschreven alternatieven.

  • 2

    Het milieueffectrapport is gesteld in de Nederlandse taal. Indien een activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land, zendt degene die de activiteit onderneemt, op verzoek van het bevoegd gezag binnen een bij dat verzoek te bepalen termijn een vertaling van de samenvatting in de landstaal van het gebied in het andere land waar de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben.

  • 3

    Het bevoegd gezag:

    • a.

      stemt het rapport, waaronder het detailniveau daarvan, af op de mate van gedetailleerdheid van het plan en op de fase van het besluitvormingsproces waarin het plan zich bevindt, alsmede, indien het plan deel uitmaakt van een hiërarchie van plannen, in het bijzonder op de plaats die het plan inneemt in die hiërarchie;

    • b.

      mag gebruik maken van andere milieueffectrapporten die voldoen aan het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk.

  • 4

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens worden bepaald en beschreven.

§ 7.4 De voorbereiding van een milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan

Artikel 7.8

Alvorens het milieueffectrapport op te stellen, raadpleegt het bevoegd gezag de adviseurs en de bestuursorganen die ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het plan berust bij de voorbereiding van het plan worden betrokken over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie die gericht is op wat relevant is voor het plan en die op grond van artikel 7.7 in het milieueffectrapport moet worden opgenomen.

Artikel 7.9
  • 2

    In de kennisgeving wordt vermeld:

    • a.

      dat stukken betreffende het voornemen openbaar zullen worden gemaakt, en waar en wanneer,

    • b.

      dat er gelegenheid wordt geboden zienswijzen over het voornemen naar voren te brengen, aan wie, op welke wijze en binnen welke termijn,

    • c.

      of de commissie of een andere onafhankelijke instantie in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over het voornemen, en

    • d.

      of met betrekking tot het ontwerp van het plan toepassing moet worden gegeven aan artikel 7.11.

  • 3

    In de kennisgeving wordt voorts vermeld dat in het milieueffectrapport tevens een passende beoordeling wordt opgenomen in verband met de mogelijk significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Natuurbeschermingswet 1998 indien dat milieueffectrapport betrekking heeft op:

    • a.

      een krachtens artikel 7.2, tweede lid, aangewezen plan, en voor dat plan een passende beoordeling moet worden gemaakt in verband met de mogelijke significante gevolgen voor een Natura-2000 gebied;

    • b.

      een plan als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid.

  • 4

    Kennisgeving vindt plaats in een publicatie in een ander land ingeval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere land.

Artikel 7.10
  • 1

    Een milieueffectrapport is gereed op het moment dat het ontwerp van het plan ter inzage wordt gelegd.

  • 2

    Het milieueffectrapport kan worden opgenomen bij of in het plan, mits het daarbij of daarin als zodanig herkenbaar is weergegeven.

§ 7.5 Het plan

Artikel 7.11
  • 1

    Indien de procedure van totstandkoming van een plan er niet in voorziet dat het ontwerp van dat plan ter inzage wordt gelegd en een ieder in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze over dat ontwerp naar voren te brengen, wordt in afwijking van die procedure:

  • 3

    Indien het eerste lid, onder a, van toepassing is, wordt, indien krachtens wettelijk voorschrift een plan binnen een bepaalde termijn moet worden vastgesteld, welke termijn korter is dan de termijn, bedoeld in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht, die termijn verlengd tot de termijn, bedoeld in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht, vermeerderd met twee weken.

Artikel 7.12
  • 1

    Indien het milieueffectrapport betrekking heeft op een krachtens artikel 7.2, tweede lid, aangewezen plan of op een plan als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid, wordt de commissie uiterlijk op het moment dat de in artikel 7.11 genoemde stukken ter inzage worden gelegd in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over dat rapport overeenkomstig de termijn die geldt voor het inbrengen van zienswijzen.

  • 2

    Indien er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige grensoverschrijdende gevolgen voor het milieu, gaat de commissie, indien zij advies uitbrengt, daar in haar advies op in.

Artikel 7.13

Het bevoegd gezag stelt een plan niet vast:

  • a.

    dan nadat het toepassing heeft gegeven aan de paragrafen 7.3 en 7.4;

  • b.

    indien het plan ten opzichte van het ontwerp van dat plan zodanig is gewijzigd dat de gegevens die in het milieueffectrapport zijn opgenomen redelijkerwijs niet meer aan het plan ten grondslag kunnen worden gelegd.

Artikel 7.14
  • 1

    In of bij het plan wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      de wijze waarop rekening is gehouden met de in het milieueffectrapport beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de activiteit waarop het plan betrekking heeft;

    • b.

      hetgeen is overwogen omtrent de in het milieueffectrapport beschreven alternatieven;

    • c.

      hetgeen is overwogen omtrent de bij het ontwerp van het plan terzake van het milieueffectrapport naar voren gebrachte zienswijzen;

    • d.

      hetgeen is overwogen omtrent het door de commissie overeenkomstig artikel 7.12 uitgebrachte advies.

  • 2

    Indien van toepassing wordt in het plan tevens vermeld:

    • a.

      hetgeen in het milieueffectrapport of in het advies, bedoeld in artikel 7.12, omtrent mogelijke belangrijke nadelige grensoverschrijdende milieugevolgen is overwogen;

    • b.

      hetgeen is overwogen omtrent de uitkomsten van het overleg, bedoeld in artikel 7.38a, vijfde lid.

  • 3

    Het bevoegd gezag bepaalt bij het plan de termijn of de termijnen waarop met het onderzoek, bedoeld in artikel 7.39, wordt begonnen, alsmede de wijze waarop het dat onderzoek zal verrichten.

  • 4

    Degene die de in dat plan voorgenomen activiteit onderneemt, verleent aan het bevoegd gezag desgevraagd alle medewerking en verstrekt alle inlichtingen, die het redelijkerwijs voor het verrichten van het onderzoek, bedoeld in het derde lid, behoeft.

Artikel 7.15
  • 1

    Indien de procedure van totstandkoming van een plan niet voorziet in:

  • 2

    Indien het milieueffectrapport niet is opgenomen in het plan wordt van dat rapport kennisgegeven tegelijk met het plan.

§ 7.6 Besluiten ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt

Artikel 7.16
  • 1

    Indien degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, deelt hij dat voornemen schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.

  • 2

    Bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval de volgende informatie verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de activiteit, met in het bijzonder:

      • 1°.

        een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en, voor zover relevant, van sloopwerken;

      • 2°.

        een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn;

    • b.

      een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben;

    • c.

      een beschrijving, voor zover er informatie over deze gevolgen beschikbaar is, van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van:

      • 1°.

        indien van toepassing, de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen;

      • 2°.

        het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit.

  • 3

    Bij het verstrekken van de informatie, bedoeld in het tweede lid, houdt degene die de activiteit wil ondernemen rekening met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn en, voor zover relevant, met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van gevolgen voor het milieu.

  • 4

    Bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, kan degene die de activiteit wil ondernemen een beschrijving verstrekken van de kenmerken van de voorgenomen activiteit en van de geplande maatregelen om waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen.

  • 5

    Bij een mededeling als bedoeld in het eerste lid kan degene die de activiteit wil ondernemen, verklaren dat hij bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport maakt.

Artikel 7.17
  • 1

    Behoudens in het geval dat toepassing is gegeven aan artikel 7.16, vijfde lid, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

  • 2

    Indien met betrekking tot de activiteit meer dan één besluit is aangewezen, nemen de bevoegde bestuursorganen de in het eerste lid bedoelde beslissing gezamenlijk.

  • 3

    Het bevoegd gezag neemt zijn beslissing op grond van de informatie, bedoeld in artikel 7.16, tweede en vierde lid, en houdt bij zijn beslissing rekening met:

    • a.

      voor zover relevant de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van gevolgen voor het milieu;

    • b.

      de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn.

  • 4

    In de motivering van zijn beslissing verwijst het bevoegd gezag in ieder geval:

    • a.

      naar de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn.

    • b.

      indien is beslist dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt, naar de kenmerken en maatregelen, bedoeld in 7.16, vierde lid, die aan deze beslissing ten grondslag hebben gelegen of mede ten grondslag hebben gelegen en, met het oog daarop, op welk moment de maatregelen gerealiseerd dienen te zijn.

  • 5

    Het bevoegd gezag doet mededeling van zijn beslissing door:

    • a.

      kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen, en indien is beslist dat voor de activiteit geen milieueffectrapport moet worden gemaakt, kennisgeving in de Staatscourant;

    • b.

      kennisgeving in een publicatie in een ander land indien er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere land;

    • c.

      terinzagelegging.

  • 6

    In kennisgevingen als bedoeld in het vijfde lid vermeldt het bevoegd gezag ten minste:

    • a.

      het tijdstip waarop een exemplaar van de beslissing ter inzage wordt gelegd, alsmede de uren waarop en de plaats waar het ter inzage ligt;

    • b.

      de strekking van de beslissing.

Artikel 7.18

Degene die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, maakt een milieueffectrapport, indien:

  • a.

    het bevoegd gezag heeft beslist dat bij de voorbereiding van het betrokken besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt;

  • b.

    hij een verklaring gegeven heeft als bedoeld in artikel 7.16, vijfde lid.

Artikel 7.19
  • 1

    Indien het bevoegd gezag degene is die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium voor de voorbereiding van het besluit dat krachtens het vierde lid van dat artikel is aangewezen een beslissing omtrent de vraag of vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Artikel 7.17, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2

    Onder een zo vroeg mogelijk stadium wordt verstaan het stadium voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-besluit.

  • 3

    Het bevoegd gezag neemt de beslissing na overleg met de bestuursorganen die bij of krachtens een wet moeten worden betrokken bij de voorbereiding van het betrokken besluit.

  • 4

    Het bevoegd gezag doet van zijn beslissing mededeling door:

    • a.

      kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen, en indien is beslist dat voor de activiteit geen milieueffectrapport wordt gemaakt, kennisgeving in de Staatscourant;

    • b.

      kennisgeving in een publicatie in een ander land indien er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere land;

    • c.

      terinzagelegging.

  • 5

    In de kennisgevingen, bedoeld in het vierde lid, vermeldt het bevoegd gezag ten minste:

    • a.

      het tijdstip waarop een exemplaar van de beslissing ter inzage wordt gelegd, alsmede de uren waarop en de plaats waar het ter inzage ligt;

    • b.

      de strekking van de beslissing.

Artikel 7.20

De artikelen 7.16 tot en met 7.19 vinden geen toepassing ten aanzien van een activiteit, aangewezen in een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voor zover die activiteit bij een provinciale verordening krachtens artikel 7.6, eerste lid, overeenkomstig de omschrijving in die algemene maatregel van bestuur is aangewezen en het een besluit betreft dat ter zake van die activiteit bij die verordening overeenkomstig die maatregel is aangewezen.

Artikel 7.20a
  • 1

    Indien het bevoegd gezag heeft beslist dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt en daarbij de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 7.16, vierde lid, van belang zijn geweest, worden, voor zover nodig in afwijking van andere wettelijke voorschriften, in ieder geval een beschrijving van de kenmerken in het besluit opgenomen en de verplichting tot het uitvoeren van bedoelde maatregelen en het tijdstip waarop die maatregelen gerealiseerd dienen te zijn als voorschrift aan het besluit, bedoeld in artikel 7.2, vierde lid, verbonden.

  • 2

    Een krachtens een andere wettelijke regeling genomen besluit geldt, ook voor zover het eerste lid daarbij wordt toegepast, geheel als krachtens die andere regeling te zijn genomen.

§ 7.7 Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit

Artikel 7.21
[Vervallen per 16-05-2017]
Artikel 7.22
  • 1

    In gevallen waarin een besluit wordt genomen op verzoek van degene die de betrokken activiteit onderneemt, maakt deze het milieueffectrapport.

  • 2

    In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen maakt het bevoegd gezag het milieueffectrapport.

Artikel 7.23
  • 1

    Een milieueffectrapport bevat ten minste:

    • a.

      een beschrijving van de activiteit met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang en andere relevante kenmerken van de activiteit;

    • b.

      een beschrijving van de, zonder de onder c bedoelde maatregelen, waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben;

    • c.

      een beschrijving van de kenmerken van de activiteit en, voor zover van toepassing, de geplande maatregelen om de waarschijnlijk belangrijke nadelige gevolgen te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren;

    • d.

      een beschrijving van de redelijke alternatieven, die relevant zijn voor de activiteit en de specifieke kenmerken ervan, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten van de activiteit;

    • e.

      een niet-technische samenvatting van de gegevens, bedoeld onder a tot en met d; en

    • f.

      alle aanvullende informatie, bedoeld in bijlage IV van de mer-richtlijn, die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaalde activiteit of activiteittype en voor de milieuaspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed.

  • 2

    Voor zover een advies over de reikwijdte en het detailniveau, bedoeld in artikel 7.24, tweede of derde lid, is uitgebracht, is het milieueffectrapport gebaseerd op dat advies. Het milieueffectrapport bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie te komen over de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethoden.

  • 3

    Om overlapping van milieubeoordelingen te voorkomen wordt bij het opstellen van het milieueffectrapport rekening gehouden met andere relevante uitgevoerde beoordelingen.

  • 4

    Het milieueffectrapport is gesteld in de Nederlandse taal. Het bevoegd gezag kan aan degene die de activiteit onderneemt, bij het geven van het in artikel 7.26 onderscheidenlijk artikel 7.27 bedoelde advies toestemming verlenen het rapport in een daarbij aan te wijzen andere taal te stellen. De in het eerste lid, onder i, bedoelde samenvatting is steeds in de Nederlandse taal gesteld. Indien een activiteit bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt, belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land, zendt degene die de activiteit onderneemt, op verzoek van het bevoegd gezag binnen een bij dat verzoek te bepalen termijn een vertaling van de samenvatting in de landstaal van het gebied in het andere land waar de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben.

  • 5

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens worden bepaald en beschreven.

§ 7.8 De beperkte voorbereiding inzake het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit

Artikel 7.24
  • 2

    Op verzoek van de aanvrager brengt het bevoegd gezag advies uit inzake de reikwijdte en het detailniveau van de informatie ten behoeve van een milieueffectrapport.

  • 3

    Bij afwezigheid van een verzoek als bedoeld in het tweede lid kan het bevoegd gezag ambtshalve advies uitbrengen.

Artikel 7.25

Het bevoegd gezag raadpleegt de adviseurs en de bestuursorganen, die ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het besluit berust bij de voorbereiding van het besluit worden betrokken, ten behoeve van het geven van advies als bedoeld in artikel 7.24, tweede en derde lid, en pleegt voorts overleg over dat advies met degene die de activiteit onderneemt.

Artikel 7.26

Het bevoegd gezag geeft uiterlijk zes weken na ontvangst van het verzoek dan wel bij ontstentenis daarvan uiterlijk zes weken na de mededeling van het voornemen, een advies als bedoeld in artikel 7.24. Het bevoegd gezag kan de termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen.

Artikel 7.26a

Het bevoegd gezag kan de commissie in de gelegenheid stellen over het milieueffectrapport te adviseren.

§ 7.9 De uitgebreide voorbereiding inzake het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit

Artikel 7.27
  • 2

    Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel alvorens het milieueffectrapport op te stellen, indien het bevoegd gezag degene is die de activiteit wil ondernemen, raadpleegt het bevoegd gezag de adviseurs en de bestuursorganen die ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het besluit berust bij de voorbereiding van het besluit worden betrokken, over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie die is gericht op wat relevant is voor het besluit en die op grond van artikel 7.23 in het milieueffectrapport moet worden opgenomen.

  • 3

    Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de mededeling dan wel na het opvatten van het voornemen door het bevoegd gezag, maar uiterlijk op het moment dat het toepassing geeft aan het tweede lid, geeft het bevoegd gezag kennis van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, dan wel van zijn eigen voornemen, met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 4

    In de kennisgeving wordt vermeld:

    • a.

      dat stukken betreffende het voornemen openbaar zullen worden gemaakt, en waar en wanneer,

    • b.

      dat er gelegenheid wordt geboden zienswijzen over het voornemen naar voren te brengen, aan wie, op welke wijze en binnen welke termijn, en

    • c.

      of de commissie of een andere onafhankelijke instantie in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over het voornemen.

  • 5

    De kennisgeving, bedoeld in het derde lid, vindt in ieder geval plaats in het door het bevoegd gezag uitgegeven provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad of publicatieblad van een gemeenschappelijke regeling. Als het bevoegd gezag tot de centrale overheid behoort of geen eigen publicatieblad uitgeeft, vindt de kennisgeving plaats in de Staatscourant. De openbaarmaking van de stukken, bedoeld in het vierde lid, onder a, vindt plaats in hetzelfde blad of op een andere geschikte elektronische wijze.

  • 7

    Kennisgeving vindt plaats in een publicatie in een ander land ingeval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere land. Degene die de activiteit wil ondernemen overlegt op verzoek van het bevoegd gezag binnen een bij dat verzoek te bepalen termijn een vertaling van de mededeling in de landstaal van het gebied in het andere land waar de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben.

  • 8

    In het geval het bevoegd gezag niet degene is die de activiteit wil ondernemen, geeft het uiterlijk zes weken na ontvangst van de mededeling, een advies inzake de reikwijdte en het detailniveau van de informatie ten behoeve van een milieueffectrapport. Het bevoegd gezag kan de termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen.

§ 7.10 Het besluit

Artikel 7.28
  • 1

    Het bevoegd gezag laat een aanvraag om een besluit buiten behandeling indien

    • a.

      bij het indienen van de aanvraag geen milieueffectrapport is overgelegd, tenzij van de plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport op grond van artikel 7.5, eerste lid, ontheffing is verleend en er geen rapport met een andere beoordeling als bedoeld in artikel 7.5, tweede lid, hoeft te worden opgesteld;

    • b.

      er een ontheffing op grond van artikel 7.5, eerste lid, is verleend, een afschrift van de mededeling, bedoeld in artikel 7.5, vierde lid, ontbreekt;

    • c.

      in gevallen waarin krachtens artikel 14.5 ter voorbereiding van meer dan een besluit één milieueffectrapport wordt gemaakt, de van de aanvrager afkomstige aanvragen tot het nemen van de andere betrokken besluiten niet tegelijkertijd worden ingediend.

  • 2

    Het bevoegd gezag laat de aanvraag tevens buiten behandeling indien deze een krachtens artikel 7.2, vierde lid, aangewezen besluit betreft, dat krachtens wettelijk voorschrift op aanvraag wordt genomen, en

    • a.

      bij het indienen van de aanvraag geen afschrift is gevoegd van de beslissing krachtens artikel 7.17, eerste lid, inhoudende dat geen milieueffectrapport behoeft te worden gemaakt, of

    • b.

      geen beslissing is genomen krachtens artikel 7.17, eerste lid, dan wel is beslist dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt en dat rapport niet is overgelegd.

  • 3

    Het bevoegd gezag wijst een aanvraag om een besluit af indien het overgelegde milieueffectrapport, mede gelet op het advies wanneer dat daarover op grond van artikel 7.26 onderscheidenlijk artikel 7.27 is gegeven, niet voldoet aan artikel 7.23, dan wel onjuistheden bevat. Voordat een aanvraag wordt afgewezen, wordt de aanvrager eerst in de gelegenheid gesteld binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn het milieueffectrapport aan te vullen.

Artikel 7.28a
  • 1

    Als het bevoegd gezag zelf de activiteit wil ondernemen waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt, zorgt het bevoegd gezag in ieder geval voor een passende scheiding tussen conflicterende functies bij de ambtelijke voorbereiding van het besluit.

  • 2

    Het bevoegd gezag legt de wijze waarop het zorg draagt voor een passende scheiding als bedoeld in het eerste lid vast in een beschrijving van de werkprocessen en procedures en draagt er zorg voor dat deze werkprocessen en procedures worden nageleefd.

Artikel 7.29
  • 1

    Indien van een aanvraag als bedoeld in artikel 7.28, openbaar kennis wordt gegeven, wordt van het milieueffectrapport gelijktijdig openbaar kennisgegeven.

  • 2

    In het geval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een ander land, geschiedt de openbare kennisgeving van de aanvraag en het milieueffectrapport in een publicatie in dat andere land.

  • 3

    De kennisgeving, bedoeld in respectievelijk het eerste en tweede lid, vindt in ieder geval plaats in het door het bevoegd gezag uitgegeven provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad, of publicatieblad van een gemeenschappelijke regeling. Indien het bevoegd gezag tot de centrale overheid behoort of geen eigen publicatieblad uitgeeft, vindt de kennisgeving plaats in de Staatscourant. De openbaarmaking van de aanvraag en het milieueffectrapport vindt plaats in hetzelfde blad of op een andere geschikte elektronische wijze.

Artikel 7.30
  • 1

    Indien de procedure van totstandkoming van het besluit voorziet in openbare kennisgeving van het ontwerp van een besluit, wordt van het milieueffectrapport gelijktijdig openbaar kennisgegeven, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 7.29.

  • 2

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de openbare kennisgeving in een publicatie in een ander land in het geval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere land.

  • 3

    Indien de procedure van totstandkoming van het besluit niet voorziet in openbare kennisgeving van de aanvraag of het ontwerp van een besluit, wordt in afwijking van die procedure, van het milieueffectrapport gelijktijdig met het ontwerp van het besluit openbaar kennisgegeven met toepassing van artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 4

    De kennisgeving, bedoeld in respectievelijk het eerste, tweede en derde lid, vindt in ieder geval plaats in het door het bevoegd gezag uitgegeven provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad, of publicatieblad van een gemeenschappelijke regeling. Indien het bevoegd gezag tot de centrale overheid behoort of geen eigen publicatieblad uitgeeft, vindt de kennisgeving plaats in de Staatscourant. De openbaarmaking van het ontwerpbesluit met de bijbehorende stukken, bedoeld in artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht, vindt plaats in hetzelfde blad of op een andere geschikte elektronische wijze.

Artikel 7.31
[Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 7.32
  • 1

    Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 7.28, dan wel het ontwerp van een besluit als bedoeld in artikel 7.30, ter inzage wordt gelegd en een ieder in de gelegenheid wordt gesteld daarover zienswijzen naar voren te brengen, kunnen zienswijzen over het milieueffectrapport gelijktijdig naar voren worden gebracht met zienswijzen over die aanvraag dan wel dat ontwerp, waarmee het milieueffectrapport ter inzage is gelegd.

  • 2

    Indien de procedure van totstandkoming van een besluit er niet in voorziet dat de aanvraag of het ontwerp van het besluit ter inzage wordt gelegd en een ieder in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen, zijn in afwijking van die procedure de artikelen 3:11, 3:12, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen over het milieueffectrapport kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. Zienswijzen over het milieueffectrapport kunnen gelijktijdig naar voren worden gebracht met de zienswijzen over het ontwerp van het besluit.

  • 3

    De zienswijzen op het milieueffectrapport kunnen slechts betrekking hebben op de inhoud van het milieueffectrapport, het niet voldoen van het rapport aan de bij of krachtens artikel 7.23 gestelde regels dan wel op onjuistheden die het rapport bevat.

  • 4

    Indien het eerste lid van toepassing is en de procedure van totstandkoming van een besluit voorziet in de vaststelling van een besluit binnen een bepaalde termijn, dan wordt die termijn, wanneer deze korter is dan de termijn, bedoeld in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht, verlengd tot de termijn, bedoeld in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht vermeerderd met twee weken.

Artikel 7.33
[Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 7.34
[Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.35
  • 1

    Bij het nemen van een besluit houdt het bevoegd gezag rekening met alle gevolgen die de activiteit waarop het besluit betrekking heeft, voor het milieu kan hebben.

  • 2

    Behoudens voor zover bij of krachtens het derde tot en met zesde lid anders is voorzien, is het eerste lid slechts van toepassing voor zover de wettelijke regeling waarop het besluit berust, zich daartegen niet verzet.

  • 3

    Het bevoegd gezag kan, indien ter zake van een activiteit slechts één besluit is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in de wettelijke regeling waarop het besluit berust, zijn gesteld:

    • a.

      naast de voorwaarden, voorschriften en beperkingen tot het opnemen waarvan het ingevolge die wettelijke regeling bevoegd is, in het besluit tevens alle andere voorwaarden, voorschriften en beperkingen opnemen, die nodig zijn ter bescherming van het milieu, waaronder monitoringsmaatregelen;

    • b.

      een beslissing nemen, ertoe strekkende dat de activiteit niet wordt ondernomen, indien het ondernemen van die activiteit tot ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu kan leiden.

  • 5

    Indien op de voorbereiding van meer dan een van de ter zake van eenzelfde activiteit aangewezen besluiten afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt een van die besluiten aangewezen als het besluit waarop het derde lid van toepassing is. Bij die aanwijzing kan worden bepaald dat zij slechts geldt in daarbij aangegeven gevallen. De aanwijzing geschiedt bij algemene maatregel van bestuur.

  • 6

    Met betrekking tot het krachtens het vijfde lid aangewezen besluit is het derde lid van toepassing, met dien verstande dat slechts voorwaarden, voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld met betrekking tot onderwerpen waaromtrent geen voorwaarden, voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld bij de andere in het vijfde lid bedoelde besluiten.

  • 7

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het derde lid.

Artikel 7.36

Een krachtens een andere wettelijke regeling te nemen besluit wordt, ook voor zover daarbij artikel 7.35 wordt toegepast, geacht krachtens die regeling te worden genomen.

Artikel 7.36a

Het bevoegd gezag neemt een besluit niet:

  • a.

    dan nadat het toepassing heeft gegeven aan de artikelen 7.22 en 7.23 en aan paragraaf 7.8 of 7.9;

  • b.

    indien de gegevens die in het milieueffectrapport zijn opgenomen redelijkerwijs niet meer aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd.

Artikel 7.37
  • 1

    In het besluit wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      de wijze waarop rekening is gehouden met de in het milieueffectrapport beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de activiteit waarop het besluit betrekking heeft;

    • b.

      hetgeen is overwogen omtrent de in het milieueffectrapport beschreven alternatieven;

    • c.

      hetgeen is overwogen omtrent de overeenkomstig artikel 7.32 ter zake van het milieueffectrapport naar voren gebrachte zienswijzen;

    • d.

      elke aan het besluit verbonden milieuvoorwaarde;

    • e.

      voor zover van toepassing, een beschrijving van alle kenmerken van de activiteit en de geplande maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren en, met het oog daarop, op welk moment de maatregelen gerealiseerd dienen te zijn;

    • f.

      in voorkomend geval, elke monitoringsmaatregel, procedure voor de monitoring en wijze van monitoring van die gevolgen waarvoor het bevoegd gezag monitoring noodzakelijk acht, waarbij het soort parameters dat wordt gemonitord en de looptijd van de monitoring evenredig moeten zijn met de aard, de locatie en de omvang van de activiteit en met het belang van de gevolgen voor het milieu.

  • 2

    In het besluit wordt tevens vermeld:

    • a.

      indien de commissie overeenkomstig artikel 7.32, vijfde lid, in samenhang met artikel 7.12, advies heeft uitgebracht, hetgeen is overwogen omtrent dat advies;

    • b.

      indien van toepassing, hetgeen in het milieueffectrapport omtrent mogelijke belangrijke nadelige grensoverschrijdende milieugevolgen is overwogen, en

    • c.

      indien van toepassing, hetgeen is overwogen omtrent de uitkomsten van het overleg, bedoeld in artikel 7.38a, vijfde lid.

  • 3

    Om overlapping van monitoring te vermijden kan het bevoegd gezag bepalen dat voor de monitoringsmaatregelen en de procedures voor de monitoring, bedoeld in het eerste lid, onder f, degene die de activiteit wil ondernemen, gebruik kan maken van bestaande wettelijk voorgeschreven monitoringsregelingen.

Artikel 7.38

Indien de procedure van totstandkoming van een besluit niet voorziet in:

  • a.

    bekendmaking van een besluit, wordt dat besluit bekend gemaakt op de wijze, voorzien in afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • b.

    mededeling door toezending van een exemplaar van een besluit aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht en, voor zover van toepassing, aan de commissie, de adviseurs en de bestuursorganen die bij de voorbereiding worden betrokken, wordt mededeling gedaan zoals voorzien in artikel 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht.

§ 7.11 Activiteiten met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen

Artikel 7.38a
  • 1

    Nadat uit de in het kader van dit hoofdstuk verzamelde informatie duidelijk is geworden dat er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een ander land als gevolg van een voorgenomen activiteit, wordt de regering of een door die regering aan te wijzen autoriteit van dat andere land zo spoedig mogelijk geïnformeerd.

  • 2

    Indien een in een plan voorgenomen activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben in een ander land, wordt, onverminderd het eerste lid, aan de regering van dat land of aan een door die regering aan te wijzen autoriteit van dat land verstrekt:

    • a.

      het ontwerp van het plan, en, indien het milieueffectrapport niet is opgenomen in dat ontwerp, het milieueffectrapport, gelijktijdig met de terinzagelegging daarvan in Nederland;

    • b.

      het vastgestelde plan, en, indien het milieueffectrapport niet is opgenomen in dat plan, het milieueffectrapport, gelijktijdig met de bekendmaking daarvan in Nederland.

  • 3

    Indien een in een besluit voorgenomen activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land, wordt, onverminderd het eerste lid, aan de regering van dat land of een door die regering aan te wijzen autoriteit van dat land verstrekt:

    • a.

      de aanvraag, bedoeld in artikel 7.28, onderscheidenlijk het ontwerp van het besluit alsmede de milieueffectrapportage en, indien van toepassing, een advies als bedoeld in artikel 7.26 onderscheidenlijk artikel 7.27, gelijktijdig met de terinzagelegging daarvan in Nederland;

    • b.

      het besluit en het milieueffectrapport gelijktijdig met de bekendmaking daarvan in Nederland.

  • 5

    De ingevolge het tweede of derde lid te verstrekken stukken dienen als grondslag voor het overleg met bestuursorganen in het betrokken andere land over de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu in dat andere land kan hebben, en de maatregelen die worden overwogen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.

  • 6

    Het bevoegd gezag is belast met de taken die voortvloeien uit de toepassing van het eerste tot en met vierde lid. Het bevoegd gezag geeft informatie en zendt de ingevolge het tweede en derde lid verstrekte stukken tevens aan Onze Minister, welke stukken eveneens dienen als grondslag voor het door het bevoegd gezag te voeren overleg, bedoeld in het vijfde lid.

  • 7

    Onze Minister is in algemene zin belast met het onderhouden van contacten met de regering van het andere land en is betrokken bij overleg op regeringsniveau indien het overleg over een voorgenomen activiteit tussen het bevoegd gezag en de bestuursorganen van dat land niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.

  • 8

    Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het tweede tot en met vijfde lid.

Artikel 7.38b
[Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.38c
[Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.38d

Indien een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu meent te kunnen ondervinden van een in een plan dan wel besluit voorgenomen activiteit in Nederland, geven het bevoegd gezag, onderscheidenlijk Onze Minister op verzoek van dat land toepassing aan artikel 7.38a, eerste tot en met vijfde lid, met inachtneming van de taakverdeling tussen het bevoegd gezag en Onze Minister, bedoeld in artikel 7.38a, zesde en zevende lid.

Artikel 7.38e

Indien een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan ondervinden van een in een plan, dan wel besluit voorgenomen activiteit in Nederland kan Onze Minister bepalen dat het bevoegd gezag dat plan dan wel besluit niet vaststelt dan nadat Onze Minister gedurende dertien weken na het einde van de termijn waarbinnen zienswijzen over het ontwerp van dat plan dan wel over de aanvraag, of het ontwerp van dat besluit naar voren kunnen worden gebracht, in de gelegenheid is gesteld de uitkomsten van het overleg, bedoeld in artikel 7.38a, zevende lid, aan het bevoegd gezag te doen toekomen.

Artikel 7.38f
[Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.38g

Indien een voorgenomen activiteit in een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in Nederland kan hebben, draagt Onze Minister zorg voor het onderhouden van de contacten met dat land indien er geen contact over een voorgenomen activiteit tot stand is gekomen tussen de direct betrokken bestuursorganen in Nederland en de bestuursorganen van het andere land dan wel indien het contact niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.

§ 7.12 Evaluatie

Artikel 7.39
  • 1

    Het bevoegd gezag dat een plan heeft vastgesteld, onderzoekt de gevolgen die de uitvoering van dat plan heeft voor het milieu, wanneer de in het plan voorgenomen activiteit wordt ondernomen of nadat zij is ondernomen.

Artikel 7.40
[Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.41
Artikel 7.42
  • 1

    Indien uit het in artikel 7.39 bedoelde onderzoek of het in artikel 7.41, eerste lid, bedoelde verslag blijkt dat de activiteit in belangrijke mate nadeliger gevolgen voor het milieu heeft dan die welke bij het vaststellen van het plan, dan wel bij het nemen van het besluit werden verwacht, neemt het bevoegd gezag, indien dat naar zijn oordeel nodig is, de hem ter beschikking staande maatregelen ten einde die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

  • 2

    Indien het bevoegd gezag met betrekking tot een besluit tot het oordeel komt dat het moet worden gewijzigd of ingetrokken, zijn op die wijziging of intrekking de artikelen 7.35 en 7.36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.43
[Vervallen per 01-07-2010]

Hoofdstuk 8 Inrichtingen

Paragraaf 8.1

Artikel 8.1
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.2
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.2a
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.2b
[Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 8.3
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.4
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.5
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.6
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.7
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.8
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.9
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.10
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.11
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.12
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.12a
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.12b
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.13
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.13a
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.14
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.15
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.16
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.17
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.18
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.19
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.20
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.21
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.22
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.23
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.24
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.25
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.26
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.26a
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.27
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.28
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.29
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.30
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.31
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.31a
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.32
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.33
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.34
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.35
[Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36
[Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36a
[Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36b
[Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36c
[Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36d
[Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36e
[Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.37
[Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.38
[Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.39
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.39a
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.39b
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.39c
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.39d
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.39e
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.39f
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.40
  • 1

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die inrichtingen daarvoor kunnen veroorzaken. Daarbij kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

  • 2

    Bij de beslissing tot het vaststellen van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval betrokken:

    In een toelichting bij de maatregel wordt aangegeven op welke wijze deze aspecten bij de voorbereiding van de maatregel zijn betrokken.

    • a.

      de bestaande toestand van het milieu, voor zover inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren, daarvoor gevolgen kunnen veroorzaken;

    • b.

      de gevolgen voor het milieu, die inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren, kunnen veroorzaken, mede in hun onderlinge samenhang bezien;

    • c.

      de met betrekking tot inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren, en de omgeving waarin zodanige inrichtingen zijn of kunnen zijn gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;

    • d.

      de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren, kunnen veroorzaken, te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;

    • e.

      de voor onderdelen van het milieu, waarvoor de betrokken categorieën van inrichtingen gevolgen kunnen hebben, geldende milieukwaliteitseisen, vastgesteld krachtens of overeenkomstig artikel 5.1 of bij Bijlage 2;

    • f.

      de redelijkerwijs te verwachten financiële en economische gevolgen van de maatregel.

  • 4

    Deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing op inrichtingen die gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken binnen de exclusieve economische zone, voor zover dat bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, is bepaald.

Artikel 8.40a
  • 1

    Indien bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 een verplichting is opgenomen voor degene die de inrichting drijft, om daarbij aangegeven maatregelen te treffen, kan daarbij worden bepaald dat diegene in plaats daarvan andere maatregelen kan treffen, wanneer met die andere maatregelen ten minste een gelijkwaardig niveau van bescherming van het milieu wordt bereikt.

  • 2

    Degene die de inrichting drijft dient een aanvraag in tot het kunnen treffen van andere maatregelen bij het bestuursorgaan, aangegeven bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, welke aanvraag gegevens bevat waaruit blijkt dat met die andere maatregelen ten minste een gelijkwaardig niveau van bescherming van het milieu wordt bereikt.

  • 3

    Het bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, beslist binnen acht weken over de gelijkwaardigheid van de andere maatregelen. Het bestuursorgaan kan deze termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen.

  • 4

    Indien de maatregelen waarop de aanvraag betrekking heeft, direct verband houden met activiteiten waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend of die zijn toegestaan krachtens een omgevingsvergunning, wordt de beslissing op de aanvraag afgestemd op de betrokken aanvraag om een omgevingsvergunning, onderscheidenlijk de betrokken omgevingsvergunning.

Artikel 8.41
  • 1

    Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 kan met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen de verplichting worden opgelegd tot het melden van het oprichten of het veranderen van een inrichting waarop de maatregel betrekking heeft, dan wel van het veranderen van de werking daarvan.

  • 2

    Bij de maatregel wordt aangegeven:

    • a.

      het bestuursorgaan waaraan de melding wordt gericht;

    • b.

      het tijdstip, voorafgaand aan het oprichten of veranderen, waarop de melding uiterlijk moet zijn gedaan;

    • c.

      de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt;

    • d.

      in welke gevallen de melding geheel of gedeeltelijk elektronisch wordt verricht of in welke gevallen het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk elektronisch gedane meldingen in ontvangst neemt.

  • 3

    Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de in het tweede lid, onder c, bedoelde gegevens en de wijze waarop zij moeten worden verstrekt.

  • 4

    Van de melding wordt openbaar kennisgegeven in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. Indien op grond van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 ook anderszins gegevens moeten worden verstrekt, kunnen bij de maatregel regels over de openbare kennisgeving daarvan worden gesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bestuursorganen worden aangewezen, waaraan een exemplaar van de melding of de anderszins verstrekte gegevens moet worden toegezonden.

Artikel 8.41a
  • 1

    Indien activiteiten ten aanzien waarvan ingevolge het bepaalde krachtens artikel 8.41 een melding moet worden gedaan, tevens zijn aan te merken als activiteiten die behoren tot een categorie waarvoor ingevolge artikel 2.1 of 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist, wordt, indien de melding nog niet gedaan is of de bij de melding te verstrekken gegevens niet volledig zijn, tegelijkertijd met de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning een melding van die activiteiten overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 8.41 gedaan.

  • 2

    Indien niet is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid besluit het bevoegd gezag de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen de door dat bestuursorgaan gestelde termijn alsnog te melden dan wel de ontbrekende gegevens te verstrekken.

  • 3

    Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt nadat de krachtens het tweede lid gestelde termijn ongebruikt is verstreken of binnen die termijn de gegevens, bedoeld in het tweede lid, niet of niet volledig zijn verstrekt.

  • 4

    In gevallen als bedoeld in het eerste lid wordt de melding gedaan bij het bestuursorgaan waarbij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend.

  • 5

    Indien het bestuursorgaan waaraan de melding is gedaan, niet het bestuursorgaan is waaraan ingevolge het bepaalde krachtens artikel 8.41, tweede lid, onder a, de melding moet worden gericht, zendt het eerstbedoelde bestuursorgaan onverwijld de bij die melding verstrekte gegevens door naar het bestuursorgaan, bedoeld in dat onderdeel, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.

Artikel 8.42
  • 1

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 kan met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen de verplichting worden opgelegd te voldoen aan voorschriften die nodig zijn ter bescherming van het milieu, gesteld door een bij die maatregel aangegeven bestuursorgaan.

  • 3

    Het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, kan voorschriften stellen die afwijken van de regels, gesteld bij of krachtens de maatregel, bedoeld in dat lid, indien dat bij of krachtens die maatregel is bepaald. Bij of krachtens de maatregel kan worden bepaald in welke mate de voorschriften kunnen afwijken en kan worden bepaald dat slechts kan worden afgeweken in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

  • 4

    Het bestuursorgaan kan de voorschriften aanvullen, wijzigen of intrekken indien dat nodig is ter bescherming van het milieu.

  • 5

    Bij of krachtens de maatregel worden categorieën van gevallen aangegeven, waarin van de beschikking waarbij het voorschrift wordt gesteld, mededeling wordt gedaan door kennisgeving in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.

  • 6

    Voorschriften als bedoeld in het eerste lid die betrekking hebben op activiteiten die direct verband houden met activiteiten waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend of die zijn toegestaan krachtens een omgevingsvergunning, worden afgestemd op de betrokken aanvraag om een omgevingsvergunning, onderscheidenlijk de betrokken omgevingsvergunning.

Artikel 8.42a

Het bevoegd gezag kan voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een inrichting verbinden die afwijken van de regels, gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40, indien dat bij of krachtens die maatregel is bepaald. Bij of krachtens de maatregel kan worden bepaald in welke mate de voorschriften kunnen afwijken en kan worden bepaald dat slechts kan worden afgeweken in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

Artikel 8.42b
  • 1

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 kan met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen worden bepaald dat bij provinciale of gemeentelijke verordening gestelde regels omtrent die onderwerpen van de bij of krachtens de maatregel gestelde regels kunnen afwijken, in welke mate kan worden afgeweken en kan worden bepaald dat slechts kan worden afgeweken in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

Artikel 8.43
  • 1

    Inrichtingen waarin van anderen afkomstige afvalstoffen worden gestort, brengen bij het in ontvangst nemen van afvalstoffen een bedrag in rekening waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden:

    • a.

      met de kosten van het totstandbrengen, instandhouden en in werking hebben van de inrichting,

    • b.

      met de kosten van de voorzieningen die bewerkstelligen dat de inrichting, nadat zij buiten gebruik is gesteld, geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, daaronder mede begrepen de kosten van de krachtens artikel 15.44, eerste lid, verschuldigde heffing, en

    • c.

      met de kosten van financiële zekerheid in categorieën van gevallen waarvoor het stellen van financiële zekerheid krachtens artikel 4.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is voorgeschreven.

  • 2

    Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 8.44
[Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 8.45
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.46

[Red: Door vernummering vervallen.]

Paragraaf 8.2

Artikel 8.47
  • 1

    In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      stortplaats: inrichting waar afvalstoffen worden gestort, dan wel het gedeelte van een inrichting, waar afvalstoffen worden gestort, indien in de inrichting niet uitsluitend afvalstoffen worden gestort, met uitzondering van afvalvoorzieningen;

    • b.

      gesloten stortplaats: stortplaats ten aanzien waarvan de in het derde lid bedoelde verklaring is afgegeven;

    • c.

      bedrijfsgebonden stortplaats: stortplaats waar uitsluitend afvalstoffen worden gestort, die afkomstig zijn van binnen de inrichting waartoe de stortplaats behoort.

  • 2

    Onder stortplaats wordt mede verstaan een gesloten stortplaats. Tot de stortplaats wordt mede gerekend het gedeelte van de stortplaats waar het storten van afvalstoffen is beëindigd.

  • 3

    Het bevoegd gezag verklaart een stortplaats voor gesloten, indien:

    • a.

      het storten van afvalstoffen is beëindigd,

    • b.

      voor zover een daartoe strekkend voorschrift voor de inrichting geldt, een bovenafdichting is aangebracht, en

    • c.

      een eindinspectie door het bevoegd gezag is uitgevoerd waaruit is gebleken dat aan alle voorschriften, verbonden aan de omgevingsvergunning voor de inrichting, is voldaan en dat ook geen andere maatregelen ingevolge de Wet bodembescherming getroffen dienen te worden door degene die de stortplaats drijft, in geval van verontreiniging of aantasting van de bodem onder de stortplaats.

Artikel 8.47a

Het bevoegd gezag stelt Onze Minister zo spoedig mogelijk op de hoogte van een verklaring als bedoeld in artikel 8.47, derde lid.

Artikel 8.48
  • 2

    Deze paragraaf is, met uitzondering van het eerste lid van dit artikel, van overeenkomstige toepassing op afvalvoorzieningen.

  • 3

    Het tweede lid is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van naar haar aard tijdelijke afvalvoorzieningen.

Artikel 8.49
  • 1

    Met betrekking tot een gesloten stortplaats worden zodanige maatregelen getroffen dat wordt gewaarborgd dat die stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, dan wel, voor zover dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de grootst mogelijke bescherming wordt geboden tegen die nadelige gevolgen.

  • 2

    Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval gerekend:

    • a.

      maatregelen strekkende tot het in stand houden en onderhouden, alsmede het herstellen, verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van de bodem;

    • b.

      het regelmatig inspecteren van voorzieningen ter bescherming van de bodem, en

    • c.

      het regelmatig onderzoeken van de bodem onder de stortplaats.

  • 3

    Degene die een stortplaats drijft, stelt een nazorgplan op ter uitvoering van de maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid. Het nazorgplan behoeft de instemming van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag beslist hierover binnen dertien weken na de indiening van het nazorgplan. Indien het bevoegd gezag niet binnen de gestelde termijn heeft beslist, is de instemming van rechtswege gegeven. Het bevoegd gezag maakt de instemming van rechtswege onverwijld nadat de beslistermijn is verstreken, bekend.

  • 4

    Het bevoegd gezag kan degene die een stortplaats drijft, bevelen het nazorgplan waarmee het heeft ingestemd, aan te passen gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu, dan wel in verband met een verandering van de stortplaats sedert de datum van instemming met het nazorgplan.

  • 5

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde maatregelen alsmede met betrekking tot het in het derde lid bedoelde nazorgplan nadere regels worden gesteld.

Artikel 8.50
  • 1

    Het bevoegd gezag is belast met de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49.

  • 2

    Het bevoegd gezag kan de zorg voor de uitvoering van de werkzaamheden die verband houden met de in artikel 8.49 bedoelde maatregelen, opdragen aan een daartoe door hem aangewezen rechtspersoon of instantie.

  • 3

    In afwijking van het eerste lid berust de zorg voor de uitvoering van de werkzaamheden die verband houden met de in artikel 8.49 bedoelde maatregelen met betrekking tot:

    • a.

      gesloten stortplaatsen waar baggerspecie is gestort en die worden gedreven of mede worden gedreven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, bij die minister;

    • b.

      gesloten afvalvoorzieningen waarin zich een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet bevindt, bij degene die de afvalvoorziening het laatst heeft gedreven.

  • 4

    Op verzoek van degene die een bedrijfsgebonden stortplaats het laatst heeft gedreven, wordt bij het al dan niet toepassen van het tweede lid rekening gehouden met de mogelijkheid die zorg aan die persoon op te dragen.

Artikel 8.51

De rechthebbende ten aanzien van de plaats waar de in artikel 8.49 bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, is verplicht te gedogen dat werkzaamheden worden verricht ten behoeve van die zorg, onverminderd zijn recht op schadevergoeding.

Paragraaf 8.3

Artikel 8.52

Naar aanleiding van de door de provincie uitgevoerde inventarisatie van plaatsen waar afvalstoffen zijn gestort en waar dat storten voor 1 september 1996 is beëindigd, delen gedeputeerde staten van de provincie waar de desbetreffende stortplaatsen liggen, Onze Minister zo spoedig mogelijk mede welke stortplaatsen dit betreft.

Artikel 8.53
  • 1

    Onze Minister houdt een lijst bij van gesloten stortplaatsen als bedoeld in artikel 8.47, en van de stortplaatsen, bedoeld in artikel 8.52.

  • 2

    Hij draagt zorgt voor bekendmaking van deze lijst en doet een afschrift van de lijst alsmede de aanvullingen erop toekomen aan de ter zake van de afvalstoffenbelasting bevoegde inspecteur van de Belastingdienst.

Hoofdstuk 9 Stoffen en produkten

Hoofdstuk 10 Afvalstoffen

Hoofdstuk 11 Geluid

Hoofdstuk 11a Andere handelingen

Hoofdstuk 12 Verslag-, registratie- en meetverplichtingen

Hoofdstuk 13 Procedures voor vergunningen en ontheffingen

Afdeling 13.1 Algemeen

Artikel 13.1
  • 1

    Bij de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op de voorbereiding van beschikkingen krachtens deze wet en van beschikkingen krachtens de in het tweede lid genoemde wetten of wettelijke bepalingen, wordt afdeling 13.2 in acht genomen, voor zover dat bij of krachtens de betrokken wet is bepaald.

Afdeling 13.2 Bijzondere bepalingen

Artikel 13.2

Indien bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag om een vergunning of een ontheffing een milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt van die aanvraag kennisgegeven. Met betrekking tot die kennisgeving zijn de artikelen 3:11, 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onder a, en 3:14 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 13.4 en 13.6 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13.3

Zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht, kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.

Artikel 13.4

Indien de aanvraag om een vergunning of ontheffing betrekking heeft op een inrichting of werk, geschiedt de terinzagelegging, bedoeld in artikel 3:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in ieder geval ter secretarie van de gemeente waarin de inrichting of het werk geheel of in hoofdzaak zal zijn gelegen.

Artikel 13.5
  • 1

    Bij het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 13.1 kan het bevoegd gezag zich in ieder geval baseren op gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar.

Artikel 13.6

Indien de aanvrager daarom heeft verzocht, stelt het bevoegd gezag hem, voordat het stukken ter inzage legt die niet van zijn kant zijn ingebracht, in de gelegenheid die stukken in te zien met het oog op de toepassing van de artikelen 19.3 tot en met 19.5. Tot de in de eerste volzin bedoelde stukken behoren niet de verslagen, gemaakt overeenkomstig artikel 3:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en afschriften van zienswijzen, door anderen dan betrokken bestuursorganen ingebracht overeenkomstig artikel 3:15 van die wet. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is niet van toepassing.

Artikel 13.7
[Vervallen per 28-12-2009]
Artikel 13.8
  • 1

    Indien op de voorbereiding van de beschikking op een of meerdere van de aanvragen die gecoördineerd worden behandeld met andere aanvragen artikel 31, vierde lid, van de Dienstenwet van toepassing is, is dat lid van toepassing op de voorbereiding van alle beschikkingen op die aanvragen.

Artikel 13.9

Indien een beslissing op een aanvraag om een vergunning of ontheffing of een beschikking tot wijziging daarvan niet kan worden gegeven dan nadat is voldaan aan een uit een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie voortvloeiende verplichting, wordt de termijn voor het geven van die beschikking opgeschort tot de ten aanzien van die verplichting geldende procedure is afgerond.

Artikel 13.10

In gevallen waarin Onze Minister bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan hij in overeenstemming met Onze betrokken Minister in het belang van de veiligheid van de Staat de toepassing van afdeling 3.4 en artikel 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk achterwege laten, voor zover dat belang zulks vereist.

Artikel 13.11

Het bevoegd gezag kan bepalen dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing blijft bij de voorbereiding van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing of van een beschikking tot wijziging daarvan, indien die beschikking:

  • a.

    betrekking heeft op het beheer van gevaarlijke afvalstoffen waarvan het beheer door een ongewone omstandigheid op korte termijn nodig is;

  • b.

    betrekking heeft op het beheer van andere dan gevaarlijke afvalstoffen waarvan het beheer door een ongewone omstandigheid en in verband met de hoeveelheid waarin die afvalstoffen vrijkomen, op korte termijn nodig is;

  • c.

    strekt tot uitvoering van een verplichting, opgelegd krachtens artikel 17.4

Afdeling 13.3 Afvalvoorzieningen categorie A met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen

Artikel 13.12

Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een afvalvoorziening categorie A, die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben in een ander land, en over het op die aanvraag te nemen besluit overleg plaatsvindt met bestuursorganen in het betrokken andere land, wordt dit overleg in de kennisgeving vermeld.

Artikel 13.13
  • 1

    Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een afvalvoorziening categorie A, die is gelegen in een ander land en die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in Nederland kan hebben, wordt de aanvraag met de daarop betrekking hebbende stukken door gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen bedoelde gevolgen zich kunnen voordoen, ter inzage gelegd.

Hoofdstuk 14 Coördinatie

§ 14.1 Coördinatie bij aanvragen om een beschikking

Artikel 14.1
  • 1

    Ingeval ten behoeve van een zelfde inrichting aanvragen zijn gedaan tot het geven van met elkaar samenhangende beschikkingen en op de voorbereiding van ten minste een daarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, kunnen gedeputeerde staten van de provincie waar die inrichting geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen, indien ten minste één van die aanvragen tot hen is gericht, een gecoördineerde behandeling van die aanvragen bevorderen.

  • 2

    Gedeputeerde staten zijn gehouden een gecoördineerde behandeling van aanvragen als bedoeld in de aanhef van het eerste lid, indien zij zijn gericht tot verschillende bestuursorganen, te bevorderen wanneer een van die organen dan wel de aanvrager of een der aanvragers hun daarom verzoekt.

  • 3

    Gedeputeerde staten zijn voorts gehouden op verzoek van degene die voornemens is een of meer aanvragen te doen als in de aanhef van het eerste lid bedoeld, indien die aanvragen zullen worden gericht tot verschillende bestuursorganen, een gecoördineerde voorbereiding van die aanvragen te bevorderen.

  • 4

    De verplichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden, voor zover het betreft aanvragen om beschikkingen op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, slechts voor zover nakoming daarvan mogelijk is in verband met de wettelijke voorschriften betreffende de totstandkoming van die beschikkingen.

  • 5

    Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het eerste, tweede of derde lid, delen zij dit onverwijld schriftelijk mede aan de aanvragers en elk der andere bestuursorganen waartoe één of meer der aanvragen mocht zijn gericht.

Artikel 14.2
  • 1

    Ten aanzien van aanvragen als bedoeld in de aanhef van artikel 14.1, eerste lid, die binnen een tijdsverloop van zes weken zijn gedaan, kunnen gedeputeerde staten, indien ten minste één van die aanvragen tot hen is gericht, bepalen dat als datum van ontvangst van die aanvragen geldt de datum waarop de laatste daarvan is ontvangen. Indien het ontwerp van de beschikking op een aanvraag al overeenkomstig artikel 3:13 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is toegezonden, blijft de eerste volzin met betrekking tot die aanvraag buiten toepassing.

  • 2

    Gedeputeerde staten zijn gehouden ten aanzien van aanvragen als bedoeld in het eerste lid een bepaling als daar bedoeld te stellen wanneer een ander bestuursorgaan waartoe één of meer der aanvragen is gericht, dan wel de aanvrager of een der aanvragers hun daarom verzoekt. Een verzoek wordt schriftelijk bij gedeputeerde staten ingediend.

  • 3

    Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het eerste of tweede lid, delen zij dit onverwijld mede aan de aanvragers en aan elk der andere bestuursorganen waartoe één of meer der aanvragen mocht zijn gericht, onder vermelding van de datum waarop de laatste aanvraag is ontvangen.

Artikel 14.3
  • 1

    In geval van gecoördineerde behandeling van aanvragen bevorderen gedeputeerde staten in ieder geval, dat bij de beoordeling van de aanvragen door de onderscheidene bestuursorganen die bevoegd zijn daarop te beslissen, rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang tussen de betrokken aanvragen en dat door die organen tevens gelet wordt op de samenhang tussen de beschikkingen die op de aanvragen worden gegeven.

Artikel 14.4

Gedeputeerde staten kunnen van de bestuursorganen die bevoegd zijn te beslissen op de aanvragen waarover de in artikel 14.1 bedoelde coördinatie zich uitstrekt, alsmede van de bij de beslissingen op die aanvragen betrokken adviseurs de medewerking vorderen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Die bestuursorganen en adviseurs zijn gehouden de van hen gevorderde medewerking te verlenen.

§ 14.2 Coördinatie bij het maken van een milieueffectrapport

Artikel 14.4a

In deze paragraaf wordt onder activiteit, plan of besluit verstaan een activiteit, plan of besluit als bedoeld in artikel 7.1.

Artikel 14.4b

Ingeval terzake van een activiteit tegelijkertijd een besluit en een plan worden voorbereid en dat plan uitsluitend wordt voorbereid met het oog op de inpassing van die activiteit in dat plan wordt ter voorbereiding van dat besluit en dat plan één milieueffectrapport gemaakt. Het rapport wordt voorbereid met toepassing van artikel 7.10 en de paragrafen 7.9 en 7.10, met dien verstande dat de aanvraag om een besluit, het ontwerp van een besluit, het ontwerpplan en het milieueffectrapport tegelijkertijd ter inzage worden gelegd. Het milieueffectrapport voldoet aan de artikelen 7.7 en 7.23.

Artikel 14.4c
  • 1

    Ingeval terzake van een activiteit, dan wel terzake van verscheidene met elkaar samenhangende activiteiten meer dan een plan is aangewezen, bij de voorbereiding waarvan op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde een milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt ter voorbereiding van die plannen één milieueffectrapport gemaakt.

  • 2

    Buiten de gevallen, bedoeld in het eerste lid, kan, ingeval terzake van een activiteit, dan wel terzake van verscheidene met elkaar samenhangende activiteiten meer dan een plan moet worden vastgesteld, bij de voorbereiding waarvan op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde een milieueffectrapport moet worden gemaakt, door de bestuursorganen die die plannen moeten vaststellen, worden besloten dat ter voorbereiding van die plannen één milieueffectrapport wordt gemaakt.

Artikel 14.4d

Indien voor een besluit voor een activiteit een milieueffectrapport gemaakt moet worden en op grond van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming ook een passende beoordeling gemaakt moet worden, worden het milieueffectrapport en de passende beoordeling tegelijkertijd door het bevoegd gezag voor het besluit waarvoor het milieueffectrapport gemaakt wordt, ter inzage gelegd.

Artikel 14.5
  • 1

    Ingeval ter zake van een activiteit, dan wel ter zake van verscheidene met elkaar samenhangende activiteiten meer dan een besluit is aangewezen, bij de voorbereiding waarvan op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde een milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt ter voorbereiding van die besluiten één milieueffectrapport gemaakt, met toepassing van paragraaf 7.8 in geval op al die besluiten paragraaf 7.8 van toepassing is en met toepassing van paragraaf 7.9 in de overige gevallen.

  • 2

    Buiten de gevallen, in het eerste lid bedoeld, kan, ingeval ter zake van een activiteit, dan wel ter zake van verscheidene met elkaar samenhangende activiteiten meer dan een besluit moet worden genomen, bij de voorbereiding waarvan op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde een milieueffectrapport moet worden gemaakt, worden besloten dat ter voorbereiding van die besluiten één milieueffectrapport wordt gemaakt, met toepassing van paragraaf 7.9.

  • 3

    Een besluit krachtens het tweede lid wordt genomen:

    • a.

      indien de bevoegdheid tot het nemen van de in het tweede lid bedoelde besluiten berust bij één bestuursorgaan: door dat orgaan;

    • b.

      indien die besluiten ingevolge wettelijk voorschrift op aanvraag worden genomen en de betrokken aanvragen ingevolge artikel 14.1 gecoördineerd kunnen worden voorbereid of behandeld: door gedeputeerde staten van de betrokken provincie;

    • c.

      in andere gevallen: door de bestuursorganen die bevoegd zijn tot het nemen van de betrokken besluiten, te zamen.

  • 4

    Een besluit krachtens het tweede lid kan ambtshalve of op verzoek worden genomen. In gevallen als bedoeld in het derde lid, onder b, kan het besluit, indien gedeputeerde staten niet bevoegd zijn tot het nemen van een der betrokken besluiten, uitsluitend op verzoek worden genomen.

Artikel 14.6
  • 2

    In gevallen als bedoeld in artikel 14.5, derde lid, onder b en c, kan een zodanig verzoek ook worden gedaan door een bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. Het wordt ingediend uiterlijk twee weken na de dag waarop met betrekking tot het milieueffectrapport de mededeling krachtens artikel 7.24, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 7.27, eerste lid, heeft plaatsgevonden.

  • 3

    Het verzoek - waarin alle besluiten vermeld zijn, waarop het betrekking heeft - wordt schriftelijk ingediend bij het orgaan dat erover moet beslissen. In een geval als bedoeld in artikel 14.5, derde lid, onder c, wordt het verzoek ingediend bij een der bevoegde bestuursorganen; dat orgaan zendt het onverwijld aan de andere bevoegde organen.

Artikel 14.7
  • 1

    Een verzoek wordt ingewilligd, tenzij het belang van een goede besluitvorming zich daartegen verzet.

  • 2

    Op een verzoek wordt niet beslist dan nadat degene die de betrokken activiteit onderneemt, en de tot het nemen van de betrokken besluiten bevoegde bestuursorganen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze daarover te geven.

  • 3

    Het besluit op het verzoek wordt genomen uiterlijk vier weken na de datum van ontvangst.

Artikel 14.8

In gevallen als bedoeld in artikel 14.5, derde lid, onder c, wordt bij de beslissing op het verzoek uit de bevoegde bestuursorganen het orgaan aangewezen dat met de in artikel 14.9, eerste lid, bedoelde coördinatie wordt belast.

Artikel 14.9
  • 1

    Indien op grond van artikel 14.5, eerste lid, een milieueffectrapport moet worden gemaakt, dan wel overeenkomstig artikel 14.5, tweede lid, is besloten tot het maken van één milieueffectrapport, wordt dat rapport gecoördineerd voorbereid en behandeld.

  • 2

    Met de coördinatie is belast:

    • a.

      indien de bevoegdheid tot het nemen van de betrokken besluiten berust bij één bestuursorgaan: dat orgaan;

    • b.

      indien die besluiten ingevolge wettelijk voorschrift op aanvraag worden genomen en de betrokken aanvragen ingevolge artikel 14.1 gecoördineerd kunnen worden voorbereid of behandeld: gedeputeerde staten van de betrokken provincie;

    • c.

      in andere gevallen: het krachtens artikel 14.8 daartoe aangewezen bestuursorgaan.

Artikel 14.10
  • 1

    Het met de coördinatie belaste orgaan bevordert dat bij het geven van de in artikel 7.26 onderscheidenlijk artikel 7.27, zevende lid, bedoelde adviezen rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang tussen die adviezen en dat bij het nemen van de besluiten bij de voorbereiding waarvan het milieueffectrapport wordt gemaakt, rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang tussen die besluiten.

  • 2

    Het met de coördinatie belaste orgaan draagt er in ieder geval zoveel mogelijk zorg voor dat:

    • a.

      van de mededelingen van de voornemens tot het indienen van een aanvraag als bedoeld in artikel 7.24 onderscheidenlijk artikel 7.27, eerste lid, alsmede van het opvatten door het bevoegd gezag van het voornemen, als bedoeld in artikel 7.27, tweede lid, te zamen overeenkomstig artikel 7.27, derde lid, wordt kennisgegeven;

    • b.

      de krachtens artikel 7.26 onderscheidenlijk artikel 7.27, zevende lid, te geven adviezen te zamen worden toegezonden aan degene die het milieueffectrapport maakt;

    • c.

      het milieueffectrapport wordt toegezonden aan elk der bevoegde organen, aan de adviseurs en de bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.25, onderscheidenlijk artikel 7.27, tweede lid;

    • d.

      van het milieueffectrapport overeenkomstig artikel 7.29 of 7.30 wordt kennisgegeven;

    • e.

      overigens toepassing wordt gegeven aan artikel 7.32.

Artikel 14.11
  • 1

    In gevallen waarin een orgaan met de coördinatie van de voorbereiding en behandeling van een milieueffectrapport is belast:

    • a.

      kan het rapport aan dat orgaan worden overgelegd;

    • b.

      kunnen de adviseurs en de bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.25 onderscheidenlijk artikel 7.27, tweede lid, en de Comissie voor de milieueffectrapportage hun adviezen over het geven van adviezen inzake de inhoud van het rapport en over het rapport bij dat orgaan indienen;

    • c.

      kan degene die gebruik maakt van de in artikel 3:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 7.32 geboden gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen over het rapport, die zienswijze bij dat orgaan naar voren brengen.

  • 2

    Indien stukken met een inhoud als bedoeld in het eerste lid worden overgelegd onderscheidenlijk ingediend bij een ander bevoegd gezag, zendt het deze onverwijld aan het met de coördinatie belaste orgaan.

Artikel 14.12
  • 1

    Ingeval ter zake van een activiteit een besluit is aangewezen, bij de voorbereiding waarvan op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde een milieueffectrapport moet worden gemaakt, en ter zake van die activiteit één of meer besluiten moeten worden genomen ten aanzien waarvan artikel 14.1 niet kan worden toegepast, kan op verzoek van degene die de activiteit onderneemt, dan wel ambtshalve, worden besloten tot een gecoördineerde voorbereiding van deze besluiten.

  • 2

    Een besluit krachtens het eerste lid wordt genomen:

    • a.

      indien de bevoegdheid tot het nemen van de in het eerste lid bedoelde besluiten berust bij één bestuursorgaan: door dat orgaan;

    • b.

      in andere gevallen: door de bestuursorganen die bevoegd zijn tot het nemen van de betrokken besluiten, te zamen.

Artikel 14.13
  • 2

    Het bevoegd gezag zendt onverwijld een afschrift van het verzoek aan de andere bevoegde organen.

  • 3

    Een verzoek als bedoeld in artikel 14.12, eerste lid, wordt alleen ingewilligd, indien het bevoegd gezag en de andere bevoegde organen daarmee instemmen. Artikel 14.7, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14.14
  • 1

    Indien een verzoek als bedoeld in artikel 14.12, eerste lid, wordt ingewilligd, treedt het orgaan dat bevoegd is tot het nemen van het besluit bij de voorbereiding waarvan het milieueffectrapport moet worden gemaakt, op als het met de coördinatie belaste orgaan.

    De overige betrokken organen worden voor wat betreft de toepassing van de artikelen 7.24 tot en met 7.26, onderscheidenlijk artikel 7.27 aangemerkt als adviseur.

  • 2

    Indien ter zake van de activiteit waarop het verzoek betrekking heeft, meer dan één besluit moet worden genomen, bij de voorbereiding waarvan op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde een milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt bij de beslissing op het verzoek uit de bestuursorganen die bevoegd zijn tot het nemen van die besluiten, het met de coördinatie belaste orgaan aangewezen.

  • 3

    Het met de coördinatie belaste orgaan draagt er in ieder geval zo veel mogelijk zorg voor dat:

    • a.

      bij het geven van de in artikel 7.26 onderscheidenlijk artikel 7.27, zevende lid, bedoelde adviezen rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang van de besluiten waarop het verzoek betrekking heeft;

    • b.

      tussen de bevoegde bestuursorganen tijdig overleg wordt gevoerd, teneinde een zo goed mogelijke afstemming tussen de te nemen besluiten te bevorderen.

Artikel 14.15

Met betrekking tot de termijn waarbinnen de betrokken besluiten moeten worden genomen, is artikel 7.32, vierde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14.16

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de taken van het met de coördinatie belaste orgaan.

Hoofdstuk 15 Financiële bepalingen

Hoofdstuk 16 Handel in emissierechten

Hoofdstuk 17 Maatregelen in bijzondere omstandigheden

Hoofdstuk 18 Handhaving

Artikel 18.1
[Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18.1a
  • 4

    Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang krachtens artikel 5.15 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht behoort het in Nederland door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan beheren van afvalstoffen in gevallen waarin die afvalstoffen in strijd met het bij of krachtens de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen of titel 10.7 bepaalde, binnen of buiten Nederlands grondgebied worden gebracht.

Artikel 18.1b

Het in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bedoelde bestuursorgaan heeft tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de op grond van het bepaalde bij of krachtens deze wet, de EG-verordening PRTR en de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen voor degene die het project, bedoeld in dat lid, uitvoert, geldende voorschriften.

Artikel 18.2
  • 1

    Het bestuursorgaan dat ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a, het orgaan is waaraan de melding wordt gericht, dan wel in andere gevallen burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, hebben tot taak:

    • a.

      zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de voorschriften die voor degene die de inrichting drijft, gelden op grond van:

      • 1°.

        het bepaalde bij of krachtens deze wet en de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten, voor zover dat bij of krachtens die wetten is bepaald;

      • 2°.

        de EG-verordening PRTR;

      • 3°.

        de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;

      • 4°.

        De EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;

    • b.

      gegevens die met het oog op de uitoefening van de taak als bedoeld onder a van belang zijn te verzamelen en te registreren;

    • c.

      klachten die betrekking hebben op de naleving van het met betrekking tot de inrichting bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde, te behandelen.

Artikel 18.2a
  • 2

    Gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders en het bestuursorgaan dat tot verlening van vergunningen als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is hebben tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 10.2 en 10.54.

Artikel 18.2b
  • 1

    Onze Minister heeft tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens:

    • a.

      de titels 9.2 tot en met 9.5 en artikel 17.19;

    • b.

      de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;

    • c.

      de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;

    • d.

      de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.

  • 2

    Onverminderd het eerste lid hebben Onze Ministers van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de titels 9.2, 9.3 en 9.3a, de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen en de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels voor zover het bepaalde bij of krachtens genoemde titels of verordeningen betrekking heeft op beleid dat tot hun verantwoordelijkheid behoort.

  • 3

    In afwijking van het eerste lid kan bij een amvb als bedoeld in artikel 9.2.2.1, eerste lid, worden bepaald dat gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders in plaats van Onze Minister of Onze betrokken Minister tot taak hebben zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van bij de amvb gestelde regels of van daaromtrent gestelde nadere regels.

  • 4

    Onze Minister heeft tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens hoofdstuk 10 gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op:

    • a.

      overbrengen van afvalstoffen als bedoeld in titel 10.7;

    • b.

      het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.45;

    • c.

      verhandelen, bemiddelen of vervoeren als bedoeld in artikel 10.55.

Artikel 18.2c
  • 1

    Gedeputeerde staten hebben tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens hoofdstuk 10 gestelde verplichtingen, voorzover zij betrekking hebben op het aanwezig hebben van een begeleidingsbrief bij het vervoer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.44.

  • 2

    Gedeputeerde staten hebben tevens tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving buiten een inrichting van de krachtens artikel 17.4 gestelde verplichtingen.

Artikel 18.2d
  • 2

    Burgemeester en wethouders hebben tevens tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving buiten een inrichting van de bij of krachtens hoofdstuk 10 gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op:

    • a.

      het zich ontdoen van afvalwater als bedoeld in artikel 10.32;

    • b.

      het zich ontdoen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.37;

    • c.

      het zich ontdoen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.51.

Artikel 18.2e

Bij het uitoefenen van de taak, bedoeld in de artikelen 18.2 tot en met 18.2d, wordt rekening gehouden met het voor het betrokken bestuursorgaan geldende milieubeleidsplan.

Artikel 18.2f
  • 1

    De emissieautoriteit draagt zorg voor de handhaving van de bij of krachtens hoofdstuk 16 gestelde verplichtingen.

Artikel 18.2g

Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens titel 12.3 en de EG-verordening PRTR gestelde verplichtingen, voor zover zij ingevolge artikel 12.21, eerste onderscheidenlijk tweede lid, als bevoegde instantie zijn aangewezen.

Artikel 18.2h
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.2i

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 17.9, eerste, tweede, derde of vierde lid, draagt zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens titel 17.2 gestelde verplichtingen.

Artikel 18.2j

Onze Minister heeft tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens hoofdstuk 11 gestelde verplichtingen.

Artikel 18.3
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.3a
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.3b
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.3c
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.3d
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.3e
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.3f
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.4
  • 1

    Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens hoofdstuk 16 bepaalde, alsmede de naleving van de in artikel 18.5 genoemde bepalingen van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel en van de in artikel 18.6 genoemde bepalingen van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

Artikel 18.5
  • 1

    Het is verboden te handelen in strijd met de volgende bepalingen van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel: artikel 4 in verbinding met de artikelen 5 tot en met 9, en de artikelen 11, 12, 50, 51, 56 en 67.

  • 2

    Het is voorts verboden te handelen in strijd met de volgende bepalingen van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel: de artikelen 14, 15, 16, 19 tot en met 49, 52, 53, 54, 57 tot en met 66, 69, 72 en 73.

Artikel 18.6
  • 1

    Het is verboden te handelen in strijd met artikel 7 in verbinding met hoofdstuk II en met artikel 43 van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel.

  • 2

    Het is voorts verboden te handelen in strijd met de artikelen 26 en 27 van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel.

Artikel 18.6a
  • 2

    In geval van het niet tijdig terug leveren van teruggevorderde emissierechten als bedoeld in artikel 16.35c, eerste lid, eerste volzin, kan het bestuur van de emissieautoriteit een last onder dwangsom opleggen.

Artikel 18.6b

In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9.7.2.3, 9.7.2.5, 9.7.4.12, 9.7.4.13, 9.8.2.3 of 9.8.2.5, kan het bestuur van de emissieautoriteit een last onder dwangsom opleggen.

Artikel 18.7
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.7a
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.8

Tot de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang krachtens artikel 5.15 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht behoort het in Nederland door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan beheren van afvalstoffen in gevallen waarin die afvalstoffen in strijd met het bij of krachtens de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen of titel 10.7 bepaalde, binnen of buiten Nederlands grondgebied worden gebracht.

Artikel 18.8a
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.8b
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.9
[Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18.10
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.11
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.12
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.13
[Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 18.14
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.14a
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.15
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.16
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18.16a
  • 3

    In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 16.21 of van artikel 18.18, voorzover het een voorschrift betreft dat is verbonden aan een vergunning krachtens hoofdstuk 16, kunnen een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom tezamen worden opgelegd.

  • 4

    In geval van overtreding van het bepaalde bij artikel 16.37, eerste lid, wordt een bestuurlijke boete als bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk kan een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid worden opgelegd naast een verhoging van het aantal broeikasgasemissierechten dat degene die de betrokken inrichting drijft, met betrekking tot een kalenderjaar overeenkomstig artikel 16.39 dient in te leveren. In geval van overtreding van het bepaalde bij artikel 16.39t, eerste lid, wordt een bestuurlijke boete als bedoeld in het tweede lid en kan een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid worden opgelegd naast een verhoging van het aantal broeikasgasemissierechten dat de vliegtuigexploitant met betrekking tot een kalenderjaar overeenkomstig artikel 16.39w dient in te leveren.

Artikel 18.16b
[Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18.16c
[Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18.16d

Indien de gedraging tevens een strafbaar feit is en de ernst van de overtreding of de omstandigheden waaronder zij is begaan daartoe aanleiding geven, legt het bestuur van de emissieautoriteit haar aan het openbaar ministerie voor.

Artikel 18.16e
  • 1

    Een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18.16a, eerste lid, bedraagt ten hoogste € 450 000 per overtreding of, indien de omzet van de betrokken onderneming in het boekjaar voorafgaand aan het jaar waarin de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete is gegeven, meer dan € 4 500 000 bedraagt, ten hoogste 10% van die omzet.

  • 3

    In afwijking van het tweede lid bedraagt de bestuurlijke boete, bedoeld in dat lid, met betrekking tot het kalenderjaar 2013 en daarop volgende kalenderjaren per ton emissie van een kooldioxide-equivalent het in artikel 16, derde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten genoemde bedrag, jaarlijks verhoogd overeenkomstig de Europese consumentenprijsindex.

Artikel 18.16f
[Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18.16g
  • 3

    Indien de gedraging aan het openbaar ministerie wordt voorgelegd op grond van artikel 18.16d, wordt een afschrift van het rapport aan het openbaar ministerie toegezonden.

Artikel 18.16h
[Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18.16i

In geval van overtreding van het bepaalde bij artikel 16.37, eerste lid, of artikel 16.39t, eerste lid, hebben de artikelen 5:49, 5:50, 5:51 en 5:53, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het opnemen van de naam van de overtreder in het overzicht, bedoeld in artikel 18.16p, eerste lid.

Artikel 18.16j
[Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18.16k

In geval van overtreding van het bepaalde bij artikel 16.37, eerste lid, of artikel 16.39t, eerste lid vermeldt de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete tevens dat de naam van de overtreder wordt opgenomen in het overzicht, bedoeld in artikel 18.16p, eerste lid.

Artikel 18.16l

In afwijking van artikel 5:45, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van artikel 18.16a, eerste en tweede lid, tien jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.

Artikel 18.16m
[Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18.16n
[Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18.16o
[Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18.16p
  • 1

    Het bestuur van de emissieautoriteit stelt elk jaar voor 1 oktober een overzicht op van personen die het bepaalde bij artikel 16.37, eerste lid, of artikel 16.39t, eerste lid, hebben overtreden en ten aanzien van wie de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18.16k, onherroepelijk is geworden. Het overzicht wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

  • 2

    Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het overzicht, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 18.16q
Artikel 18.16r
  • 1

    Het bestuur van de emissieautoriteit kan de Commissie van Europese Gemeenschappen verzoeken een exploitatieverbod als bedoeld in artikel 16, tiende lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten op te leggen aan een vliegtuigexploitant die niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens afdeling 16.2.2, indien zulks niet met andere handhavingsmaatregelen kon worden gewaarborgd. Het verzoek voldoet in elk geval aan de in artikel 16, zesde lid, van genoemde richtlijn opgenomen eisen.

  • 2

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid. Indien regels worden gesteld, worden in de maatregel in elk geval geregeld:

    • a.

      de gevallen waarin een verzoek kan worden ingediend;

    • b.

      de procedure die voorafgaand aan het indienen van het verzoek moet worden gevolgd.

  • 3

    Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, regels stellen met betrekking tot de eisen waaraan een verzoek overigens moet voldoen.

  • 4

    Krachtens het tweede en derde lid gestelde regels voldoen in elk geval aan de eisen die de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 16, twaalfde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten heeft vastgesteld.

  • 5

    Het bestuur van de emissieautoriteit zendt een afschrift van een verzoek als bedoeld in het eerste lid aan Onze Minister en aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Het afschrift wordt verzonden gelijktijdig met het indienen van het verzoek bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 18.16s
  • 2

    De boete, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste € 450 000 per overtreding, of, indien de omzet van de betrokken onderneming in het boekjaar voorafgaand aan het jaar waarin de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete is gegeven meer dan € 4 500 000 bedraagt, ten hoogste 10% van die omzet.

Artikel 18.16t
[Vervallen per 01-01-2015]
Artikel 18.17

Indien binnen een periode van vier jaar aan een persoon tweemaal voor eenzelfde feit een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18.16a is opgelegd en de betrokken boeten binnen die periode onherroepelijk zijn geworden, kan het bestuur van de emissieautoriteit de vergunning, bedoeld in artikel 16.5, die de betrokken persoon houdt, intrekken.

Artikel 18.18

Een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning of ontheffing, is verboden.

Artikel 18.19
[Vervallen per 01-04-1994]

Hoofdstuk 19 Openbaarheid van milieu-informatie

Artikel 19.1a
  • 1

    In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder milieu-informatie: alle informatie, neergelegd in documenten, over:

    • a.

      de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschap en natuurgebieden met inbegrip van vochtige biotopen, kust- en zeegebieden, biologische diversiteit en haar componenten, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen;

    • b.

      factoren, zoals stoffen, energie, geluid, straling of afval, met inbegrip van radioactief afval, emissies, lozingen en ander vrijkomen van stoffen in het milieu die de onder a bedoelde elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten;

    • c.

      maatregelen, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, zoals beleidsmaatregelen, wetgeving, plannen, programma’s, milieuakkoorden en activiteiten die op de onder a en b bedoelde elementen en factoren van het milieu een uitwerking hebben of kunnen hebben, alsmede maatregelen of activiteiten ter bescherming van die elementen;

    • d.

      verslagen over de toepassing van de milieuwetgeving;

    • e.

      kosten-baten- en andere economische analyses en veronderstellingen die worden gebruikt in het kader van de onder c bedoelde maatregelen en activiteiten;

    • f.

      de toestand van de gezondheid en veiligheid van de mens, met inbegrip van de verontreiniging van de voedselketen, indien van toepassing, de levensomstandigheden van de mens, waardevolle cultuurgebieden en bouwwerken, voorzover zij worden of kunnen worden aangetast door de onder a bedoelde toestand van elementen van het milieu of, via deze elementen, door de onder b en c bedoelde factoren, maatregelen of activiteiten.

Artikel 19.1b
  • 1

    Na het einde van de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld tegen een beschikking als bedoeld in artikel 13.1 op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt, zolang zij niet is tenietgegaan, door het bevoegd gezag aan een ieder desgevraagd kosteloos inzage gegeven in en tegen vergoeding van ten hoogste de kosten een exemplaar verstrekt van de beschikking en voor zover mogelijk van de stukken die in verband met de totstandkoming daarvan overeenkomstig deze wet dan wel afdeling 3.4 of artikel 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage dienden te worden gelegd.

Artikel 19.1c

Onverminderd artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur verstrekt een bestuursorgaan uit eigen beweging informatie over de openbare verantwoordelijkheden en functies die het heeft alsmede de openbare diensten die het verleent met betrekking tot het milieu.

Artikel 19.2
  • 1

    In het geval van een gebeurtenis waardoor een onmiddellijke bedreiging van het leven of de gezondheid van personen, van het milieu of van grote materiële belangen is ontstaan, verstrekt de burgemeester voor zover deze informatie niet reeds ingevolge artikel 7 van de Wet veiligheidsregio’s of een ander wettelijk voorschrift moet worden verstrekt, aan de personen die getroffen kunnen worden, terstond op passende wijze alle informatie over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en beperking van de bedreiging en de daaruit voortvloeiende nadelige gevolgen en de daartoe door die personen te volgen gedragslijn. In geval van een situatie als bedoeld in artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s wordt de informatie verstrekt door de voorzitter van de veiligheidsregio.

  • 2

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven over de gevallen waarin ingevolge het eerste lid informatie wordt verstrekt, over de inhoud van de te verstrekken informatie en over de wijze waarop de informatie wordt verstrekt.

Artikel 19.3
  • 1

    Indien in een stuk ten aanzien waarvan bij of krachtens deze wet of door afdeling 3.4 of 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht openbaarmaking wordt voorgeschreven, milieu-informatie voorkomt of uit zodanig stuk milieu-informatie kan worden afgeleid, waarvan de geheimhouding op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur gerechtvaardigd is, kan het bevoegd gezag op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de belanghebbende toestaan dat deze ten behoeve van de openbaarmaking een, door het bevoegd gezag goedgekeurde, tweede tekst overlegt, waarin die informatie niet voorkomt, onderscheidenlijk waaruit deze niet kan worden afgeleid. Het bevoegd gezag maakt van deze bevoegdheid slechts gebruik met betrekking tot bedrijfsgeheimen en beveiligingsgegevens. Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet kunnen ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie gegevens worden aangewezen waarvoor de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid eveneens geldt.

Artikel 19.4
  • 1

    In gevallen waarin toepassing is gegeven aan artikel 19.3, eerste lid, vult de verzoeker, indien een tweede tekst naar het oordeel van het bevoegd gezag niet voldoende gegevens zou verschaffen voor een goede beoordeling van het stuk waarop het verzoek betrekking heeft, een ander stuk in samenhang waarmee het stuk wordt ingediend, het ontwerp van het besluit of het besluit, de stukken binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn zoveel mogelijk aan met andere gegevens die voor die beoordeling bevorderlijk kunnen zijn.

  • 2

    In gevallen waarin toepassing is gegeven aan artikel 19.3, tweede lid, vult Onze betrokken Minister, indien een tweede tekst naar zijn oordeel niet voldoende gegevens zou verschaffen voor een goede beoordeling van het stuk waarop het verzoek betrekking heeft, een ander stuk in samenhang waarmee het stuk wordt ingediend, het ontwerp van het besluit of het besluit, de stukken zoveel mogelijk aan met andere gegevens die voor die beoordeling bevorderlijk kunnen zijn.

  • 3

    Op de tweede tekst stelt het bevoegd gezag een aantekening waaruit blijkt dat die tekst dient ter vervanging van de oorspronkelijke tekst waarin gegevens voorkomen, waarvan de geheimhouding gerechtvaardigd onderscheidenlijk geboden is. Indien het eerste of tweede lid toepassing heeft gevonden, vermeldt de aantekening tevens dat de stukken zijn aangevuld met gegevens als in die leden bedoeld.

Artikel 19.5
  • 1

    Op een verzoek tot geheimhouding beslist het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst. Van de beslissing wordt mededeling gedaan aan de betrokken bestuursorganen. Indien het verzoek in het kader van de toepassing van hoofdstuk 7 is gedaan en betrekking heeft op een plan onderscheidenlijk besluit waarover de Commissie voor de milieueffectrapportage overeenkomstig artikel 7.12 onderscheidenlijk artikel 7.32, vijfde lid, in samenhang met artikel 7.12, in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen, wordt van de beslissing tevens mededeling gedaan aan die commissie.

  • 3

    Indien een verzoek tot geheimhouding in het kader van de toepassing van afdeling 3.4 of 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht indien het geen besluit op aanvraag betreft of van paragraaf 7.10 is gedaan, laat het bevoegd gezag de openbaarmaking van het stuk waarop het verzoek betrekking heeft, achterwege totdat, indien het verzoek wordt toegestaan, de tweede tekst is overgelegd en de stukken zijn aangevuld met de in artikel 19.4, eerste lid, bedoelde gegevens, dan wel, indien het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, de beslissing op het verzoek onherroepelijk is geworden.

Artikel 19.6
[Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 19.6a

De artikelen 19.3 tot en met 19.5 zijn van overeenkomstige toepassing op gegevens die voorkomen in een stuk ten aanzien waarvan openbaarmaking wordt voorgeschreven of die uit zodanig stuk kunnen worden afgeleid en die niet als milieu-informatie zijn te beschouwen.

Artikel 19.6b

Indien bij de voorbereiding van een besluit dat is aangewezen krachtens artikel 7.2 ter zake van een activiteit bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt, dan wel van een besluit inzake een omgevingsvergunning voor een inrichting, ingevolge een wettelijk voorschrift of een besluit van het bevoegd gezag informatie openbaar wordt gemaakt, en dat wettelijk voorschrift of besluit zich op andere gronden dan voorzien in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur tegen de openbaarmaking verzet, is artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur van overeenkomstige toepassing en blijft het wettelijk voorschrift of besluit dat zich tegen de openbaarmaking verzet, buiten toepassing. Indien milieu-informatie niet ter inzage wordt gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.

Artikel 19.7
  • 1

    Indien in een emissieverslag als bedoeld in artikel 16.1 milieu-informatie voorkomt of milieu-informatie daaruit kan worden afgeleid, waarvan de geheimhouding op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur gerechtvaardigd is, kan het bestuur van de emissieautoriteit op een daartoe strekkend verzoek van degene die de inrichting drijft, toestaan dat een door het bestuur van de emissieautoriteit goedgekeurde, tweede tekst openbaar wordt gemaakt, waarin die informatie niet voorkomt, onderscheidenlijk waaruit die informatie niet kan worden afgeleid. Het bestuur van de emissieautoriteit maakt van deze bevoegdheid slechts gebruik met betrekking tot bedrijfsgeheimen en beveiligingsgegevens. Het in de eerste volzin bedoelde verzoek wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het verslagjaar. Bij het verzoek wordt een tweede tekst overgelegd.

  • 3

    De artikelen 19.4 en 19.5, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, wordt aangemerkt als het bevoegd gezag.

  • 4

    Indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid is gedaan, kan openbaarmaking van het betrokken emissieverslag achterwege blijven tot uiterlijk vier weken nadat op dat verzoek onherroepelijk is beslist.

Artikel 19.8
  • 1

    Indien in de gegevens die ingevolge artikel 12.12, vierde lid, in het register, bedoeld in artikel 12.12, eerste lid, moeten worden opgenomen gegevens voorkomen of kunnen worden afgeleid waarvan de geheimhouding op grond van artikel 10, zevende lid, onder b, van de Wet openbaarheid van bestuur gerechtvaardigd is, kan het bevoegd gezag op een daartoe strekkend verzoek van degene die de inrichting drijft waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, onderscheidenlijk degene die een buisleiding gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, onderscheidenlijk degene aan wie een concessie voor die buisleiding is verleend, of uit eigen beweging in afwijking van artikel 12.13, eerste lid, besluiten dat die gegevens niet aan de instantie, bedoeld in artikel 12.12, derde lid, worden verstrekt onderscheidenlijk niet wordt ingestemd met de voorgestelde weergave, bedoeld in artikel 12.15, tweede lid.

  • 2

    Op een verzoek tot geheimhouding beslist het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst.

  • 3

    Indien een verzoek tot geheimhouding is gedaan, verstrekt het bevoegd gezag de gegevens ingevolge artikel 12.13, eerste lid, over de externe veiligheid betreffende die inrichting of buisleiding niet onderscheidenlijk geeft het bevoegd gezag geen instemming als bedoeld in artikel 12.15, tweede lid, totdat de beslissing op het verzoek onherroepelijk is geworden.

Hoofdstuk 20 Inwerkingtreding en rechtsbescherming

§ 20.1 Algemeen

Artikel 20.1
  • 1

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist op een beroep tegen een besluit op grond van deze wet of tegen besluiten als bedoeld in artikel 20.3, eerste lid, binnen twaalf maanden na afloop van de beroepstermijn. In afwijking van de eerste volzin beslist de Afdeling op een beroep tegen een nationaal toewijzingsbesluit als bedoeld in artikel 16.24, eerste lid, of een gewijzigd nationaal toewijzingsbesluit als bedoeld in artikel 16.31, eerste lid, binnen veertig weken na afloop van de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen eerstbedoeld besluit.

  • 2

    Het beroep tegen een gewijzigd nationaal toewijzingsbesluit als bedoeld in artikel 16.31, eerste lid, kan uitsluitend worden ingesteld door een belanghebbende die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door de wijzigingen die ten opzichte van het oorspronkelijke nationale toewijzingsbesluit zijn aangebracht. Artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

  • 3

    In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het instellen van beroep tegen een nationaal toewijzingsbesluit als bedoeld in artikel 16.24, eerste lid, aan met ingang van de dag na die waarop in de Staatscourant een mededeling is gedaan als bedoeld in artikel 16.30a, eerste lid, dan wel met ingang van de dag na die waarop het gewijzigde nationale toewijzingsbesluit overeenkomstig artikel 16.30a, derde lid, tweede volzin, in verbinding met artikel 16.30, vierde lid, in de Staatscourant is bekendgemaakt. In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het maken van bezwaar tegen een besluit houdende kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten op grond van artikel 16.32, eerste lid, aan met ingang van de dag na die waarop aan de aanvrager een mededeling is gedaan als bedoeld in artikel 16.32, vierde lid, dan wel met ingang van de dag na die waarop het overeenkomstig artikel 16.32, vijfde lid, gewijzigde toewijzingsbesluit is bekendgemaakt. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het instellen van beroep tegen een gewijzigd nationaal toewijzingsbesluit als bedoeld in artikel 16.31, eerste lid, vier weken.

Artikel 20.2
[Vervallen per 01-07-2013]
Artikel 20.2a

In een rechterlijke procedure ten aanzien van een besluit, andere rechtshandeling of feitelijke handeling die strekt tot uitvoering van een overeenkomstig artikel 5.16, eerste lid, genomen besluit of toegepast wettelijk voorschrift, kunnen uitsluitend gevolgen voor de luchtkwaliteit worden aangevoerd voor zover deze redelijkerwijs niet in een eerdere rechterlijke procedure aan de orde zijn of hadden kunnen worden gesteld.

Artikel 20.3
  • 2

    In afwijking van het eerste lid treden de volgende besluiten in werking met ingang van de dag na hun bekendmaking:

    • a.

      een besluit krachtens artikel 8.40a of 8.42, tenzij dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht,

    • b.

      een bij algemene maatregel van bestuur krachtens de artikel 9.2.2.1 aan te wijzen besluit ten aanzien van genetisch gemodificeerde organismen. Een besluit wordt slechts aangewezen indien uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie daartoe noopt.

  • 4

    Indien het gebruik maken van een besluit als bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, voordat op een beroep is beslist, wegens de daaraan verbonden kosten, dan wel wegens de daardoor veroorzaakte wijziging in feitelijke omstandigheden die bij de beslissing op het beroep een rol kunnen spelen, aanmerkelijke invloed kan hebben op die beslissing, wordt een zodanige voorlopige voorziening getroffen dat die invloed zich niet kan voordoen.

Artikel 20.4

Artikel 20.3 is niet van toepassing op besluiten:

Artikel 20.5
  • 1

    In gevallen waarin het onverwijld in werking treden van een besluit als bedoeld in artikel 20.3, eerste lid, eerste volzin, naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is, kan het in afwijking van dat lid in het besluit bepalen dat het terstond in werking treedt.

Artikel 20.5a
  • 1

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voegt de behandeling van bij haar aanhangige zaken over een nationaal toewijzingsbesluit als bedoeld in artikel 16.24, eerste lid, die op dezelfde handelsperiode betrekking hebben. De eerste volzin is niet van toepassing op latere wijzigingen van een nationaal toewijzingsbesluit overeenkomstig subparagraaf 16.2.1.3.2.

  • 3

    De Afdeling voegt bij haar aanhangig gemaakte zaken met betrekking tot een naar aanleiding van haar tussenuitspraak gewijzigd nationaal toewijzingsbesluit als bedoeld in artikel 16.31, eerste lid, ter behandeling met zaken over het oorspronkelijke nationale toewijzingsbesluit die reeds bij haar aanhangig zijn.

§ 20.2 Advisering inzake beroepen milieubeheer

Artikel 20.6
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 20.7
[Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 20.8
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 20.9
[Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 20.10
[Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 20.11
[Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 20.12
[Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 20.13
[Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 20.14
  • 1

    Onze Minister is gemachtigd namens de Staat tot oprichting over te gaan van een stichting die tot doel heeft de taak te verrichten bedoeld in artikel 20.15.

  • 2

    Wijziging van de statuten van de stichting, dan wel ontbinding van de stichting behoeft de toestemming van Onze Minister. Alvorens te beslissen over de toestemming, hoort Onze Minister de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

  • 3

    De statuten van de stichting waarborgen dat de stichting haar werkzaamheden onpartijdig en onafhankelijk verricht.

Artikel 20.15

De stichting heeft tot taak aan de bestuursrechter op diens verzoek deskundigenbericht uit te brengen inzake beroepen tegen besluiten als bedoeld in artikel 20.3, eerste lid, van deze wet alsmede beroepen tegen beschikkingen krachtens de hoofdstukken 6, 7 en 8 van de Waterwet met betrekking tot het lozen of storten van stoffen en het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 6.1 van die wet. Op verzoek van de bestuursrechter brengt de stichting tevens deskundigenbericht uit inzake beroepen op grond van andere wetten, voor zover het onderwerpen betreft die samenhangen met aspecten van het milieubeheer waarvoor Onze Minister verantwoordelijk is.

Artikel 20.16

De personen die deel uitmaken van de organen van de stichting, en het personeel van de stichting vervullen geen functies en betrekkingen, waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de handhaving van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de stichting dan wel van het vertrouwen daarin.

Artikel 20.17
  • 1

    Indien met toepassing van artikel 20.14 een stichting is opgericht, verstrekt Onze Minister aan de stichting subsidie overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorschriften, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede taakuitoefening.

Artikel 20.18
[Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 20.19
[Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 20.20
[Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 20.21
[Vervallen per 01-01-1994]

Hoofdstuk 21 Verdere bepalingen

Artikel 21.1
  • 1

    Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en ieder Onzer betrokken Ministers doen jaarlijks verslag aan onderscheidenlijk de gemeenteraad, provinciale staten en de Staten-Generaal over hun beleid met betrekking tot de uitvoering van de hoofdstukken 8, 13 en 18 en paragraaf 14.1 van deze wet. Burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten zenden het verslag gelijktijdig met de aanbieding aan de gemeenteraad, onderscheidenlijk provinciale staten, aan de inspecteur.

  • 2

    Zij vermelden in hun verslag in ieder geval:

    • a.

      het aantal malen dat in de periode waarop het verslag betrekking heeft, de termijnen zijn overschreden, die ingevolge artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht gelden voor het geven van de beschikking, de oorzaken daarvan en de maatregelen die zij hebben getroffen of zullen treffen om het overschrijden van die termijnen zo veel mogelijk te voorkomen;

    • b.

      afzonderlijk de wijze waarop zij de in het eerste lid genoemde hoofdstukken van deze wet hebben uitgevoerd ten aanzien van inrichtingen die geheel of gedeeltelijk gedreven worden door onderscheidenlijk de betrokken gemeente, de betrokken provincie of het rijk.

  • 3

    Gevallen ten aanzien waarvan artikel 13.10 is toegepast, worden in het verslag van Onze Minister niet vermeld.

Artikel 21.2
  • 1

    Onze Minister zendt - voor zover het betreft het ambtsterrein van één of meer Onzer andere Ministers, in overeenstemming met die Ministers - binnen drie jaar na het in werking treden van deze wet, en vervolgens telkens om de vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop zij is toegepast.

  • 2

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid. Deze regelen kunnen voor daarbij aangewezen bestuursorganen de verplichting inhouden jaarlijks op de daarbij aangegeven wijze de gegevens te verstrekken, die voor de opstelling van het in het eerste lid bedoelde verslag nodig zijn.

Artikel 21.2a

Een bestuursorgaan verstrekt Onze Minister de gegevens die hij nodig heeft ter uitvoering van de in de artikelen 51, 55, 59 en 72 van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L 334) opgelegde verplichtingen tot informatieverstrekking. Bij ministeriële regeling kunnen daaromtrent nadere regels worden gesteld.

Artikel 21.3

Het bevoegd gezag voor het milieueffectrapport verstrekt Onze Minister, telkens vóór een door hem te bepalen tijdstip, de bij dat gezag beschikbare gegevens, die van belang zijn voor het naleven van de in artikel 12, tweede lid, van de mer-richtlijn opgenomen verplichtingen tot informatieverstrekking.

Artikel 21.4

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bepalingen van deze wet die betrekking hebben op stoffen, van toepassing worden verklaard op micro-organismen, niet zijnde genetisch gemodificeerde organismen.

Artikel 21.5

Voor de uitvoering van deze wet ten aanzien van gebieden die niet deel uitmaken van een gemeente of provincie, worden, voor zover nodig, bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld ten aanzien van de bestuursorganen die de in deze wet vervatte bevoegdheden uitoefenen en ten aanzien van de bestuursorganen die bij die uitvoering dienen te worden betrokken.

Artikel 21.6
  • 1

    Bij de vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet wordt rekening gehouden met het geldende nationale milieubeleidsplan.

  • 2

    De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 5.1, eerste lid, of 5.3, derde lid, wordt Ons gedaan door Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot hun verantwoordelijkheid behoren, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en, voorzover het de strafrechtelijke handhaving betreft van het bepaalde bij of krachtens deze wet of de andere in artikel 18.2, eerste lid, onder a, bedoelde wetten, Onze Minister van Justitie. De voordracht van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 9.2.3.2 wordt Ons gedaan door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

  • 3

    De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens paragraaf 2.2, hoofdstuk 7 of paragraaf 14.2, wordt Ons gedaan door Onze Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens titel 12.1 wordt Ons gedaan door Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot hun verantwoordelijkheid behoren, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Economische Zaken. Indien het een of meer inrichtingen betreft, die onder Onze Minister van Defensie ressorteren, wordt de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 12.1, tweede lid, 12.4 en 12.5 Ons mede door hem gedaan.

  • 5

    Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan de beide kamers der Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Een krachtens artikel 5.1, eerste lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt in werking op een tijdstip dat, nadat vier weken na de toezending ervan aan de beide kamers der Staten-Generaal zijn verstreken, bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers der Staten-Generaal of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in de algemene maatregel van bestuur geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken.

  • 6

    Hetgeen ingevolge deze wet bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld, wordt in afwijking daarvan bij ministeriële regeling geregeld, indien de regels uitsluitend strekken ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, tenzij voor een juiste uitvoering wijziging van een algemene maatregel van bestuur of de wet noodzakelijk is. Indien wijziging van een algemene maatregel van bestuur noodzakelijk is, wordt daarvan, gelijktijdig met de voordracht aan Ons, gemotiveerd kennis gegeven aan de beide kamers der Staten-Generaal, onder korte vermelding van de inhoud van de voorgenomen algemene maatregel van bestuur. Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in de eerste volzin wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, toegezonden aan de beide kamers der Staten-Generaal. Op de vaststelling van een ministeriële regeling zijn het tweede en het derde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 7

    Het tweede tot en met vijfde lid en het zesde lid, tweede, derde en vierde volzin, gelden niet voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, voorzover deze uitsluitend betrekking heeft op inrichtingen die een krachtens artikel 1 van de Mijnbouwwet aangewezen mijnbouwwerk zijn. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur wordt Ons in dit geval gedaan door Onze Minister van Economische Zaken. Bij toepassing in dit geval van het zesde lid, eerste volzin, wordt de ministeriële regeling vastgesteld door Onze Minister van Economische Zaken.

Artikel 21.7

De bevoegdheid van gemeenteraden en waterschappen tot het maken van verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin hoofdstuk 10 voorziet, gehandhaafd, voor zover deze verordeningen niet met het bij of krachtens deze wet bepaalde in strijd zijn.

Artikel 21.8

Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van deze wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur.

Hoofdstuk 22 Slotbepalingen

Artikel 22.1
  • 1

    De hoofdstukken 8 en 17 en titel 12.3 van deze wet zijn niet van toepassing op inrichtingen waarvoor een vergunning is vereist krachtens artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet, behoudens voor zover uit de bepalingen van die wet anders blijkt. Die hoofdstukken en die titel zijn evenmin van toepassing op inrichtingen, voor zover daarvoor bij of krachtens andere dan in de eerste volzin genoemde bepalingen van die wet vergunning is vereist of algemene voorschriften gelden, behoudens voor zover uit de bij of krachtens die wet gestelde bepalingen anders blijkt.

  • 3

    Hoofdstuk 8 van deze wet is niet van toepassing op inrichtingen waarin van buiten de inrichting afkomstige dierlijke meststoffen in de zin van de Meststoffenwet worden bewaard, bewerkt, verwerkt of vernietigd, voor zover het een doelmatig beheer van die stoffen betreft.

  • 5

    Titel 9.2 laat het met betrekking tot stoffen of mengsels bij of krachtens de Kernenergiewet bepaalde onverlet.

  • 6

    Titel 9.2 is niet van toepassing op het vervoeren, het ten vervoer aanbieden en het ten vervoer aannemen, het laden en het lossen en het nederleggen tijdens het vervoer van stoffen, mengsels of micro-organismen, alsmede op het laten staan en het laten liggen van een vervoermiddel waarin of waarop zich zodanige stoffen, mengsels of micro-organismen of resten daarvan bevinden, voorzover daaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet luchtvaart, dan wel op de handelingen, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ten aanzien van stoffen, mengsels of micro-organismen, voorzover daaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens die wet. In afwijking van de eerste volzin is titel 9.2 van toepassing met betrekking tot de verpakking van micro-organismen, zijnde genetisch gemodificeerde organismen, indien die organismen zich bij de handelingen, bedoeld in de eerste volzin, niet bevinden in een verpakking die voldoet aan de regels die terzake zijn gesteld bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of de Wet luchtvaart.

  • 7

    Krachtens titel 9.2 worden geen regels gesteld met betrekking tot het zich ontdoen van stoffen en mengsels door het brengen daarvan in oppervlaktewateren, voor zover in het stellen van zodanige regels is voorzien krachtens artikel 6.6 juncto artikel 6.2 of 6.3 van de Waterwet.

  • 10

    Artikel 9.5.2 en hoofdstuk 10, met uitzondering van titel 10.7, zijn niet van toepassing op gedragingen, voor zover daaromtrent voorschriften met betrekking tot diervoeders gelden, die zijn gesteld bij of krachtens de Wet dieren.

Artikel 22.1a
[Vervallen per 24-05-2013]
Artikel 22.2

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet milieubeheer.

Artikel 22.2a
[Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 22.3

Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk 13 juni 1979

Juliana

De Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne,

L. Ginjaar

Uitgegeven de eenentwintigste augustus 1979

De Minister van Justitie,

J. de Ruiter

Bijlage 2 bij de Wet milieubeheer

§ 1 Grenswaarden en alarmdrempel voor zwaveldioxide
Voorschrift 1.1

Voor zwaveldioxide gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

  • a.

    350 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vierentwintig maal per kalenderjaar mag worden overschreden;

  • b.

    125 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal drie maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Voorschrift 1.2

Voor zwaveldioxide gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van ecosystemen, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen, van autosnelwegen of hoofdwegen waarvan per dag meer dan 50 000 motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gebruik maken, waar het ecosysteem naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft:

  • a.

    20 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

  • b.

    20 microgram per m3 als winterhalfjaargemiddelde concentratie.

Voorschrift 1.3

Voor zwaveldioxide geldt 500 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren, in gebieden van ten minste 100 km2, als alarmdrempel.

§ 2 Grenswaarden, plandrempels en alarmdrempel voor stikstofdioxide
Voorschrift 2.1
  • 1.

    Voor stikstofdioxide gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

    • a.

      200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en

    • b.

      40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

  • 2.

    Het eerste lid, onder a, is met ingang van 1 januari 2010 van toepassing bij wegen waarvan ten minste 40 000 motorvoertuigen per etmaal gebruik maken. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt verstaan onder motorvoertuig: motorvoertuig als bedoeld in de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde regels.

  • 3.

    Tot 1 januari 2010 geldt bij de wegen, bedoeld in het tweede lid, voor stikstofdioxide een grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens van 290 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

  • 4.

    Indien ten gevolge van maatregelen die door één of meer bestuursorganen zijn genomen met het oog op het voorkomen of beperken van luchtverontreiniging bij de wegen, bedoeld in het tweede lid, in een kalenderjaar voor het jaar 2010 de grenswaarde wordt bereikt van 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, met maximaal achttien overschrijdingen per kalenderjaar, geldt, in afwijking van het tweede en derde lid, deze grenswaarde met ingang van het jaar volgend op het jaar waarin de grenswaarde, bedoeld in de eerste volzin is bereikt.

Voorschrift 2.1a

In afwijking van voorschrift 2.1 gelden voor een of meer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zones of agglomeraties of een gedeelte daarvan, waarvoor uitstel krachtens artikel 22, eerste lid, juncto vierde lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit van toepassing is, tot een bij die maatregel genoemd tijdstip, doch uiterlijk tot 1 januari 2015, voor stikstofdioxide de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

  • a.

    300 microgram per m3, gedefinieerd als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en

  • b.

    60 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.

Voorschrift 2.2

Voor stikstofdioxide gelden buiten de krachtens voorschrift 2.1a aangewezen zones en agglomeraties de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:

  • a.

    in 2005, 50 microgram per m3;

  • b.

    in 2006, 48 microgram per m3;

  • c.

    in 2007, 46 microgram per m3;

  • d.

    in 2008, 44 microgram per m3;

  • e.

    in 2009, 42 microgram per m3.

Voorschrift 2.3

Voor stikstofdioxide gelden buiten de krachtens voorschrift 2.1a aangewezen zones en agglomeraties bij de wegen, bedoeld in voorschrift 2.1, tweede lid, de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als uurgemiddelde concentraties waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mogen worden overschreden:

  • a.

    in 2005, 250 microgram per m3;

  • b.

    in 2006, 240 microgram per m3;

  • c.

    in 2007, 230 microgram per m3;

  • d.

    in 2008, 220 microgram per m3;

  • e.

    e. in 2009, 210 microgram per m3.

Voorschrift 2.4

Voor stikstofdioxide geldt 400 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km2, als alarmdrempel.

§ 3 Grenswaarde voor stikstofoxiden
Voorschrift 3.1

Voor stikstofoxiden geldt 30 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van vegetatie, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen, van autosnelwegen of hoofdwegen waarvan per dag meer dan 50 000 motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gebruik maken, waar de vegetatie naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan bijzondere bescherming behoeft.

§ 4 Grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10); plandrempel, richtwaarden, grenswaarde en blootstellingsconcentratieverplichting voor zwevende deeltjes (PM2,5)
Voorschrift 4.1

Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

  • a.

    40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

  • b.

    50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Voorschrift 4.2

In afwijking van voorschrift 4.1 gelden voor een of meer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zones of agglomeraties of een gedeelte daarvan, waarvoor vrijstelling krachtens artikel 22, tweede lid, juncto vierde lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit van toepassing is, tot een bij die maatregel genoemd tijdstip, doch uiterlijk tot 11 juni 2011, voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

  • a.

    48 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie, en

  • b.

    75 microgram per m3, gedefinieerd als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Voorschrift 4.3

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt de volgende richtwaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens, die met ingang van 1 januari 2010 voor zover mogelijk moet worden bereikt:

25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.

Voorschrift 4.4
  • 1.

    Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 de volgende grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens: 25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.

  • 2.

    Tot 1 januari 2015 blijft het eerste lid buiten toepassing bij de uitoefening van een bevoegdheid of toepassing van een wettelijk voorschrift met toepassing van artikel 5.16, eerste lid, ongeacht of de desbetreffende uitoefening of toepassing ook na de genoemde datum gevolgen voor de luchtkwaliteit heeft of kan hebben.

Voorschrift 4.5

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt tot 1 januari 2015 de volgende plandrempel voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie:

in 2008, 25 microgram per m3, verhoogd met 20%, welk percentage op de daaropvolgende eerste januari en vervolgens iedere 12 maanden met gelijke jaarlijkse percentages wordt verminderd tot 0% op 1 januari 2015.

Voorschrift 4.6

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellingsconcentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.

Voorschrift 4.7
  • a.

    Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt de volgende richtwaarde inzake vermindering van de blootstelling van de mens die met ingang van 1 januari 2020 voor zover mogelijk moet worden bereikt:

§ 5 Grenswaarde voor lood
Voorschrift 5.1

Voor lood geldt 0,5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.

§ 6 Grenswaarde voor koolmonoxide
Voorschrift 6.1

Voor koolmonoxide geldt 10 000 microgram per m3 als acht-uurgemiddelde concentratie als grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens.

§ 7 Grenswaarden en plandrempels voor benzeen
Voorschrift 7.1

Voor benzeen gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:

  • a.

    tot 1 januari 2010, 10 microgram per m3;

  • b.

    met ingang van 1 januari 2010, 5 microgram per m3.

Voorschrift 7.2

Voor benzeen gelden de volgende plandrempels voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:

  • a.

    in 2006, 9 microgram per m3;

  • b.

    in 2007, 8 microgram per m3;

  • c.

    in 2008, 7 microgram per m3;

  • d.

    in 2009, 6 microgram per m3.

§ 8 Richtwaarden, informatiedrempel en alarmdrempel voor ozon
Voorschrift 8.1
  • a.

    Voor ozon geldt de volgende richtwaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens, die met ingang van 1 januari 2010 voor zover mogelijk moet worden bereikt: 120 microgram per m3 als hoogste acht-uurgemiddelde concentratie van een dag, waarbij geldt dat deze gemiddeld over drie jaar op maximaal vijfentwintig dagen per kalenderjaar mag worden overschreden.

  • b.

    Voor ozon geldt de volgende richtwaarde voor de lange termijn voor de bescherming van de gezondheid van de mens: 120 microgram per m3 als hoogste acht-uurgemiddelde concentratie van een dag, gedurende een kalenderjaar.

Voorschrift 8.2
  • a.

    Voor ozon geldt de volgende 18 000 (microgram per m3) • uur als AOT40-waarde voor de periode van 1 mei tot en met 31 juli, gemiddeld over vijf jaar, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2010 voor zover mogelijk moet worden bereikt, ter bescherming van de vegetatie.

  • b.

    Voor ozon geldt 6 000 (microgram per m3) • uur als AOT40-waarde voor de periode van 1 mei tot en met 31 juli van een kalenderjaar als richtwaarde voor de lange termijn, ter bescherming van de vegetatie.

Voorschrift 8.3

Voor ozon geldt een informatiedrempel van 180 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.

Voorschrift 8.4

Voor ozon geldt een alarmdrempel van 240 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.

§ 9 Richtwaarde voor arseen
Voorschrift 9.1

Voor arseen geldt 6 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte arseen in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.

§ 10 Richtwaarde voor cadmium
Voorschrift 10.1

Voor cadmium geldt 5 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte cadmium in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.

§ 11 Richtwaarde voor nikkel
Voorschrift 11.1

Voor nikkel geldt 20 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte nikkel in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.

§ 12 Richtwaarde voor benzo(a)pyreen
Voorschrift 12.1

Voor benzo(a)pyreen geldt 1 nanogram per m3 als jaargemiddelde concentratie, gedefinieerd als het totale gehalte benzo(a)pyreen in de PM10 fractie, als richtwaarde die met ingang van 1 januari 2013 voor zover mogelijk moet worden bereikt, voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.

§ 13 Gevallen als bedoeld in de artikelen 5.9, eerste lid, en 5.10, eerste lid, waarin een plan wordt vastgesteld en uitgevoerd.
Voorschrift 13.1

De gevallen, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, zijn:

  • a.

    plaatsen buiten de krachtens voorschrift 2.1a aangewezen zones en agglomeraties, waar de in de voorschriften 2.2 en 2.3 genoemde plandrempels voor stikstofdioxide worden overschreden, waarbij geldt dat in het plan wordt aangegeven op welke wijze voldaan zal worden aan de in voorschrift 2.1, eerste lid, onder b, en tweede lid, genoemde grenswaarden;

  • b.

    plaatsen waar de in voorschrift 7.2 genoemde plandrempel voor benzeen wordt overschreden, waarbij geldt dat in het plan wordt aangegeven op welke wijze voldaan zal worden aan de in voorschrift 7.1, onder b, genoemde waarde.